MEROPE
9 Days
CD recensie, ©Mattie Poels op zijn site Musicframes, 31 oktober 2012
Merope is een gemêleerd kwintet met een aangename maar zeer ongebruikelijke
bezetting. Tegen een bijna psychedelische achtergrond word je meegenomen in
een sfeer van metaforische wisselingen. Sober en klankrijk geïnstrumenteerd
waarbij de kanklès (citer) en de bansuri (Indiase fluit) de meest opvallende
instrumenten zijn, ondersteund met gitaar/effecten, bas en percussie.
'9 Days' heeft een geheel eigen karakter, waarbij elke compositie zijn eigen
timbre heeft. Dat geeft de muziek iets ongrijpbaars, maakt het afwisselend,
ondoorgrondelijk en inventief. De arrangementen zijn vindingrijk en zitten
vol kleine effectjes: krakend papier, krekels, galm, echo's, reversed sounds,
aanzwellende gitaren (zonder attack). Effecten die de muziek verrijken en
soms pas na enige tijd opvallen. De Litouwse zangeres Indré Jugeleviciût,
die ook de wonderschone kanklès bespeelt, zingt met een lieflijk, bijna fluisterende
stem en bedient zich van (fonetisch) gezongen lyriek. Alhoewel de muziek van
Merope met enige regelmaat ritmisch stevig wordt ondersteund, behoudt de cd
zijn dromerig karakter. Bovendien zorgt het inventieve gitaar/effecten werk
van Bert Cools voor een dubbele muzikale bodem waardoor dat peinzend karakter
zelfs filmisch wordt geprojecteerd. Nergens wordt de muziek overladen en alle
gespeelde partijen staan in dienst van het geheel en dat maakt '9 Days' een
prachtig collectief project.
De CD is uitgebracht op Wapapura,
waar op eerder ook de CD van het Music: World Series project Acoustic
Compass verscheen.
THE NOO ONES, 6 april 2012, MCH Haarlem
©Peter Bruyn Haarlems Dagblad
Feest met knorvarken en piepkip.
De Music: World Series is een van oorsprong Utrechts initiatief, dat sinds
1998 musici uit verschillende genres en tradities bijeen brengt om met elkaars
cultuur te stoeien en vervolgens een handvol concerten te geven. Inmiddels
hebben zich een zevental podia bij dat initiatief aangesloten. Ook Haarlem
doet sinds een aantal jaren mee. Echter niet in de vorm van een van de 'established'
podia, maar middels het MCH - voorheen Mondiaal Centrum - dat zich steeds
frequenter als alternatief voor de muzikale 'mainstream' presenteert. Dat
bleek ook bij het merkwaardige gezelschap The NOO Ones. Muzikanten kunnen
bij de Music: World Series ideeën aandragen voor samenwerkingsprojecten. En
eens per jaar komen de programmeurs van de aangesloten podia bijeen om te
adviseren en aan te geven wat ze wel in hun theater neer zouden willen zetten.
Tegen het muzikale idee van fluitist en bassaxofonist Klaas Hekman om een
groep met concertina - een klein trekharmonicaatje - trombone, Indiase viool,
gitaar en percussie samen te brengen werd in eerste instantie vreemd aangekeken,
vertelt MCH-programmeur Arno Duivestein voor aanvang van het concert . Maar
het was uitgerekend de Haarlemmer die voor het project pleitte omdat hij het
wel spannend vind, Hij kreeg de anderen mee en het optreden afgelopen vrijdag
onderstreepte zijn gelijk. Maar een veemde groep bleef het.
The NOO
Ones, zoals de groep zich noemt, begon met een stemmige 'drone'. Zes muzikanten
die dreutelden rond dezelfde noot. Maar dat liet wel direct goed horen hoe
verschillende de klankkleur van de afzonderlijke instrumenten was. En dat
laatste zou als een rode draad door het concert blijven lopen.
De stukken
die volgen hebben weldegelijk melodie - vaak hele pakkende melodieën zelfs.
En hoewel ze door verschillende groepsleden gecomponeerd zijn hebben ze met
elkaar gemeen dat de thema's vaak door twee van de musici als duet gespeeld
worden. Of de één neemt het van de ander over in estafette-vorm, waarbij de
Schots/Nederlandse slagwerker Alan Purves even zo gemakkelijk inhaakt - een
melodieuze drummer als hij is. Het repertoire van The NOO Ones ontpopt zich
als ontzettend toegankelijke muziek. Mar het is wel een toegankelijkheid met
verrassende wendingen.
Die toegankelijkheid heeft alles te maken met het spelplezier
dat de vijf mannen op het podium uitstralen. Maar evenzeer met de gespeelde
stukken. Die zijn meer pop en folk dan de zwaardere compositieconstructies
en impro-excercities van diverse eerdere Music: World Series-projecten; alleen
al door het vaak onopvallende, maar toch heel groovy spel van de Surinaamse
gitarist Andro Biswane.
Veel van de muziek wordt éénstemmig gespeeld, waarbij de concertina van de
Schot Simon Thoumire fraai contrasteert met de fluit van Hekman en de viool
van Satyakam Mohkamsing spannend tegen de trombone van Joost Buis in krast.
Een speciale vermelding gaat naar slagwerker Purves die met klepperlepels,
plastic knorvarken en dito piepkip de feestvreugde nog aanzienlijk wist te
verhogen.
THE NOO ONES, 31 maart De X, Leiden. Tournee t/m 7 april
Ton Maas, Volkskrant 2-04-2012
Soms klinkt een soort postmoderne hoempa met Caribische invloeden, dan weer strakke funk. ****
Bij the NOO Ones, de laatste Music: World Series (MWS) van dit seizoen, kun
je als luisteraar weinig anders dan breeduit glimlachen om de speelse ondeugendheid
waarmee wordt gemusiceerd, in combinatie met de verrassende manier waarop
met een allegaartje aan instrumenten een coherent klankbeeld tot stand wordt
gebracht. Wat de muzikale ontmoetingen van de MWS met elkaar gemeen hebben,
is dat er altijd wel iets magisch gebeurt. Blijkbaar hebben de programmeurs
van de deelnemende podia een goede neus voor kansrijke projectplannen, want
het voorstel dat bassaxofonist Klaas Hekman indiende voor The NOO Ones, moet
er op papier enigszins bedenkelijk hebben uitgezien. Goed, bassax met trombone
en slagwerk is in handen van ervaren jazzmusici geen onmogelijke combi, en
een Surinaamse gitarist erbij kan ook, maar wat te denken van een klassiek
Indiase violist en een Schotse folkmuzikant die de concertina bespeelt, de
onbeduidendste aller trekzakken?
En toch heeft deze gelegenheidscombinatie vanaf het eerste moment iets vanzelfsprekends.
De stukken die de zes muzikanten hebben gecomponeerd, dwingen iedereen om
zich buiten zijn 'comfort zone' te begeven en dat maakt het concert extra
spannend. Omdat er spaarzaam wordt gesoleerd, gaat alle aandacht uit naar
het ensemblespel. En dat floreert dankzij spitsvondige arrangementen, waarin
veel subtiele grappen zijn verwerkt.
Soms klinkt er een postmoderne hoempa met Caribische invloeden; even later
krijgt een weemoedige Keltische ballade een onverwachte shot strakke en hitsige
funk. Een moment van betovering breekt aan als de klaterend heldere elektrische
gitaar van Andro Biswane een Schots getinte melodie overneemt van Simon Thoumires
concertina en in een soort multiculti-estafette doorgeeft aan de klaaglijk
jammerende Indiase viool van Satyakam Mohkamsing.
SKINS & KEYS. 10 februari 2012 in De X, Leiden
Tekst Rik van Boeckel met foto's van Hans Speekenbrink op Cultuurpodium
EEN ZINDERENDE REIS OP VELLEN EN TOETSEN
De tour is al weer afgelopen maar hopelijk komt Skin & Keys nog een keer
terug. Het optreden in Cultureel Centrum de X was het voorlaatste optreden
van deze groep, bestaande uit drie percussionisten en een pianist. Met Nils
Fischer (CaboCubaJazz, Cubop City Big Band, Drums United oa), Afra Mussawisade
(Iran), Niti Ranjan Biswas (Bangla Desh. Drums United) en de in Amsterdam
wonende Cubaanse pianist Ramón Valle. Bij Skin & Keys werd percussie melodie
en melodie werd ritme tijdens een zinderende wereldreis op vellen en toetsen.
Helaas was er weinig publiek op het optreden afgekomen, Skin & Keys had veel
meer verdiend. Ze schotelden degenen die wel gekomen waren een zeer gevarieerd
optreden voor waarin het ritme wel centraal stond maar de melodische kant
van diverse percussie-instrumenten heel sterk naar voren kwam. Het was alleen
al een mooi beeld om te zien wat er op het podium stond. Aan de rechterkant
de vijf conga's van Nils Fischer met timbales, diverse woodblocks en cajón.
De set van Afra Mussawisade bestond uit twee delen: de oosterse drumset met
darbuka achterin en de kanjira ('n framedrum) en tabil, instrumentan afkomstig
uit India, voorin. Niti Ranjan Biswas speelde op drie tabla's. Aan de linkerkant
zat Ramón Valle achter de vleugel. Van zijn hand kwam de eerste compositie
Fourty Degrees, de latin patronen van Valle op de piano werden afgewisseld
met tabla en de percussieve sounds van Fischer en dit alles binnen een vernuftige
melodisch/ritmische structuur.
Dat gold zeker ook voor de gezamenlijke compositie Afro Moods. In het Biswas-Valle
duet Cubangla liet Niti horen hoe het rijke klankpalet van zijn tabla's mooi
te combineren is met Valle's pianospel dat zijn inspiratie niet alleen in
latin of Cubaanse muziek vindt maar ook in jazz en klassiek. Daarna bracht
Afra de kanjira voor het voetlicht, met zijn vingertechniek op de kleine Indiase
framedrum demonstreerde hij de mogelijkheden van dit in het westen weinig
bekende instrument. Fischer's Four Together en Afra's Four Skies werden gekenmerkt
door een sterke dynamiek, een sterke groove, pittige breaks en staccato pianospel
van Ramón Valle.
Nanana Kitetaketa van Niti Ranjan Biswas was het eerste dat na de pauze werd
gespeeld. Er werd een jazzy sfeer gecreëerd op tabla, darbuka, piano en conga's,
dit was ritmisch zeer knap. Ramón Valle liet in zijn solo zijn klasse weer
eens horen net als in de van zijn album Playground (2009) afkomstige compositie
Cinco Hermanas, een 'Ramonada' zoals hij zelf zegt. Hier weer een fraai duet
tussen Ramón en Nils Fischer. In Jicamania volgde een virtuoos supersnel intro
van Fischer op de conga's. Daarna ging het nog eens heerlijk spetteren, een
toegift (Playful Dreams) bleef niet uit, het bleef tot het laatste moment
genieten bij Skin & Keys!
SKINS & KEYS 2 februari, Tropentheater, Amsterdam
Het nieuwste project in het kader van de Music World Series heeft een wel heel ongebruikelijke bezetting van drie percussionisten en een pianist.
Als je daarbij 'optelt' dat de heren ook nog eens als verliefden aan elkaars muzikale lippen hangen, lijkt het lot van de voorstelling als een hermetisch onderonsje op het podium bezegeld, maar niets is minder waar. In plaats van buitengesloten wordt het publiek meegezogen in de spontane speelsheid van de interactie tussen de avonturiers. Want alle vier deze muzikanten begeven zich met Skins & Keys buiten hun 'comfort zone'. Als drie slagwerkers samen spelen, loopt het klankbeeld maar al te gemakkelijk dicht met wedijverende roffel- en spetterdrift. Nils Fischer, Afra Mussawisade en Niti Ranjan Biswas creëren echter steeds ruimte voor elkaar en laten vervolgens nog genoeg adem over om hun publiek geen enkel gevoel van benauwdheid te bezorgen.
Voor pianist Ramón Valle is de uitdaging misschien wel het grootst, want op hem rust de volledige last van zowel het melodische als het harmonische aspect van de collaboratie. Zijn aanpak is die van een aquarellist: met snelle, trefzekere streken zet hij sferen en stemmingen neer zonder te verzanden in gedetailleerd gepriegel.
Pralen en pronken met virtuositeit is voor deze muzikanten een lang geleden gepasseerd station - als het dat ooit al was. Hun meesterschap maken ze volledig dienstbaar aan het hogere doel: samen iets tot stand brengen dat voor elk afzonderlijk buiten bereik ligt.
Was er tijdens de eerste set nog iets te merken van de inspanningen die deze missie vereist, na de pauze leek de muziek aan alle aards geploeter te ontstijgen.
© Ton Maas
RUIMTE VOOR MUZIKAAL AVONTUUR BIJ NORDENIAN NODES IN MCH
Nordenian Nodes, vr 2 december 2011, MCH, Haarlem
©Peter Bruyn Haarlems Dagblad
Sommige muziek werkt op festivals en in grote zalen. Andere muziek komt het
beste over als je er bijna bovenop zit. Zoals het project Nordenian Nodes
dat afgelopen vrijdag in het Musica Globalista programma van het Haarlemse
MCH te horen was en waarbij vier musici uit drie continenten een instrumentale
ontmoeting aangaan.
Voor de wat avontuurlijkere jazz en niet-westerse muziek is bij de grotere
Haarlemse podia al jaren geen of nauwelijks ruimte meer. Des te mooier is
het dat het MCH - voorheen Mondiaal Centrum - die leemte vult met een concertzaaltje
dat zowel qua akoestiek als wat licht- en geluidsapparatuur en ambiance betreft
steeds professioneler wordt. De programmering omvat zo'n twintig concerten
per jaar, variërend van zuiver traditionele muziek tot allerhande avontuurlijke
cross-overs met jazzmusici. Voor dat laatste wordt veelvuldig samengewerkt
met de Utrechtse organisatie Music: World Series die telkens een aantal musici
van verschillende pluimage en uit diverse windstreken bijeen zoekt, hen tot
een artistieke samenwerking stimuleert en daar dan een Nederlandse tournee
bij organiseert waar het MCH zich graag bij aansluit. Of de 'klik' tussen
de muzikanten werkelijk plaatsvindt is altijd weer een verrassing, maar het
gaat altijd om mensen die open staan voor avontuur.
In het geval
van Nordenian Nodes zijn dat de Nederlandse altviolist Oene van Geel - vooral
bekend van het strijkkwartet Zapp4 - de van oorsprong Bengaalse tablaspeler
Niti Ranjan Biswas, de uit Senegal afkomstige Bao Sissoko die de kora - een
eenentwintigsnarige harp met een enorme kalebas als klankkast - bespeelt en
de Nederlandse gitarist Mark Tuinstra die zijn weg feilloos weet te vinden
in de latin- en Afro-licks. Het interessante van de combinatie is dat alle
vier de instrumenten een heel herkenbare en dominante klank hebben.
Vier solisten in feite. Daarbij komt het dan aan op de composities en op de
balans bij het improviseren. De stukken van Sissoko, waar hij vaak zelf ook
bij zingt, zijn het toegankelijkst en komen het best uit de verf als de anderen
zich aanpassen aan de zwoele Afrocadans. De Bengaal Niti maakt de meeste indruk
als instrumentalist - vooral als hij en passant de baspartijen op zijn tablas
speelt. En de composities van de twee Nederlanders zijn het avontuurlijkst,
maar bevatten ook de meeste hinderlagen. Soms gaat het vlekkeloos en soms
gaat het stroef. Als het leven zelf eigenlijk.
UITEINDELIJK WORDT OOK DE VIERDE
PARTNER OPGENOMEN IN DE MUZIKALE VRIJAGE.****
©Ton Maas, Volkskrant 5 december
Concertrecensie Nordenian Nodes, Mondiaal Centrum Haarlem 2 december. Tournee t/m 10 december
Bij de Music: World Series (MWS) gaat het om muzikaal grensverkeer op het snijvlak van wereldmuziek, jazz en geïmproviseerd muziek. Een muzikant bedenkt een concept, waarna hij collega's uit andere disciplines uitnodigt om zijn plan verder uit te werken. De groep komt vervolgens bijeen voor enkele repetities en maakt uiteindelijk een korte tournee door het land.
Het probleem van Nordenian Nodes, het nieuwste project van de MWS, is gelegen in het feit dat drie van de vier deelnemers al enige tijd opereren als trio. Gitarist Mark Tuinstra, altviolist Oene van Geel en tablaspeler Niti Ranjan Biswas vormen als The Nordanians een driekoppig monster met de achteloze lichtvoetigheid van een ballerina. Spatsynchroon worden de meest complexe ritmische figuren vol onverwachte breaks en wendingen uitgevoerd. Als na twee van deze acrobatische triootjes koraspeler Bao Sissoko uit Senegal op het toneel wordt uitgenodigd, is binnen enkele maten duidelijk waar de schoen wringt.
Het trio is zo hecht verbonden dat de Nordanians hun symbiotische muzikale relatie moeten openbreken om plaats te maken voor een vierde partner. Er wordt dan nog steeds op hoog niveau gemusiceerd, maar zonder de organische samenhang van het triospel.
Na de pauze neemt Sissoko echter geen genoegen met een gastrol in de marge. Tijdens Kaira, een klassiek stuk ui het West-Afrikaanse Mandingrepertoire, stat hij op om het voortouw te nemen en bestookt de Nordanians een voor een met prikkelende vraag-en-antwoordfrasen. Het begint als een spelletje, maar dan voltrekt zich een klein wonder als het drietal geheel spontaan gezamenlijk de uitdaging aangaat en vervolgens ook hun gelegenheidspartner liefdevol opneemt in hun muzikale vrijage.
VOLOP GENIETEN VAN KLANKDETAILS
door Ken Vos, © Draai om je oren
Acoustic Compass, vrijdag 7 oktober 2011, De X, Q-Bus, Leiden
Acoustic Compass is een typische vertegenwoordiger van de Music World Series,
waarvoor elk seizoen enkele formaties worden gecreëerd, waarin zogeheten
wereldmusici met vooral jazzmusici worden gecombineerd, vaak voor het eerst.
Het is altijd afwachten hoe de musici het met elkaar vinden op het podium.
Multi-intrumentalist Michalis Cholevas koos uit musici die hij, soms via
via, al uit een andere context kende. Cholevas is Griek, maar zeer geverseerd
in de Turkse muziek, getuige ook het t-shirt dat hij deze avond draagt. Het
grootste deel van de avond speelt hij op de tarhu, een hybride instrument
dat bedacht is door de Australiër Peter Biffin. Cholevas strijkt er voornamelijk
op, maar het ingenieuze instrument is ook bedoeld om erop te tokkelen. Grof
gezegd is het instrument - in meerdere versies verkrijgbaar - een kruising
tussen een tanbur en een erhu. In een enkel stuk speelt Cholevas ook nog de
ney, de Midden-Oosterse kerffluit. Als een echte multi-instrumentalist valt
hij op door zijn verfijnde articulatie op beide instrumenten.
De andere leden van de band zijn ook interessante persoonlijkheden. Van bassist
Tony Overwater is al bekend dat hij liefhebber is van Midden-Oosterse muziek.
Rembrandt Frerichs hoor ik voor het eerst in een setting waarin West-Aziatische
toonreeksen en ritmes dominant zijn. Een heel bijzondere tenorsaxofonist is
de Israëliër Oded Tsur, die bij Hariprasad Chaurasia Indiase muziek
studeerde en een opvallende speelwijze heeft. Zijn toon heeft meer weg van
een soort bansuri (Indiase kerffluit) dan van een rietinstrument, met een
rond, glad geluid zonder de typerende korreligheid van het saxriet. Zelden
heb ik een saxofonist gehoord die met zulk gemak glissandi speelt. De qanun(hakkebord)speler
Bassem Alkhouri blijkt ook een geweldige vocalist te zijn. De klassiek geschoolde
Syriër heeft een bijzonder fluïde geluid op zijn qanun, wat ook
gezegd kan worden van de gevarieerde vibrato in zijn tenorstem. Zeer toonvast
klinken zijn stem en instrument ook in het hoog.
Na deze gedetailleerde beschrijving zal misschien duidelijker zijn hoe de
band als geheel klinkt. Ondanks de vrij strenge structuren van de toonreeksen
is de interactie tussen de musici zeer natuurlijk en los. Zo kan in de akoestisch
zeer evenwichtige zaal ruimschoots genoten worden van de klankdetails, zoals
de flageoletten van de contrabas. In de improvisaties blijft het jazzelelement
overeind, niet alleen in de stukken van Frerichs en Overwater. Het repertoire
is zeer gevarieerd en maakt nieuwsgierig naar de muziektradities van het Midden-Oosten.
Een geslaagde versmelting die een vervolg verdient.
GRENSVERKENNINGEN VAN BEDWELMENDE SCHOONHEID****
©Ton Maas, Volkskrant 29 september 2011
Concertrecensie. Acoustic Compass, 27 september, Theater Bouwkunde Deventer.
Het nieuwste interculturele samenwerkingsproject van de Music: World Series
(MWS) draagt een wel zeer toepasselijke naam, want aangezien alle berokkenen
in zekere zin verdwaald zijn, is een kompas onontbeerlijk.
Pianist Rembrandt Frerichs en contrabassist Tony Overwater raakten via allerlei
omwegen verzeild in de klassieke Arabische muziek. De Syrische qanunspeler
Bassem Alkhouri kwam naar Nederland om de westerse klassiek zangkunst onder
de knie te krijgen. De Israëlische saxofonist Oded Tzur dook in de wereld
van de Indiase raga en de Grieks multi-instrumentalist Michalis Cholevas heeft
een inniger band met de oude Ottomaanse hofmuziek dan menige eigentijdse Turk.
Zijn eerste instrument was de yaili tanbur, de gestreken variant van de langhalsluit
die eeuwen lang aan heth of van de sultan de toon aangaf Naast de Turkse baglama
(getokkelde luit) en ney (fluit) bespeelt hij tegenwoordig de tarhu, ee modern
instrument dat in Australië is ontwikkeldop basis van de klassiek tanbur.
Tijdens de eerste set van de première in Deventer benam de veelkleurigheid
van het gezelschap nog enigszins het zicht op de gezamenlijke koers, maar
na de pauze volgende muzikale grensverkenningen van bedwelmende schoonheid,
met als dramatische climax een vers van soefidichter Ibn Arabi, door Alkouri
getoonzet en op indringende wijze gezongen. Hij droeg het op aan alle kinderen
die in Syrië om het leven zijn gekomen en hun moeders.
De vijf deelnemers aan Acoustic Compass zijn allen meester op hun instrument,
maar saxofonist Oded Tzur verdient een aparte vermelding, wamt zijn vermogen
om de klankkleur van zijn instrument te manipuleren, grenst aan het onmogelijke.
Als hij zijn raga achter een gordijn had uitgevoerd, had niemand in de zaal
kunnen bevroeden dat hij de tenorsax bespeelde en niet een Indiase bansuri
(houten dwarsfluit).
Wereld- en jazzmuziek versmelten in Tales of Tala
CONCERTRECENSIE. Tales of Tala, Tropentheater, Amsterdam, 7 april 2011
door: Rosa Groen
beeld Thomas Huisman
©www.jazzenzo.nl
Tales of Tala, een bonte verzameling musici uit binnen- en buitenland, maakt
een korte, maar krachtige tournee in Nederland. Musici zijn ingevlogen uit
Hongarije, Bangladesh en Palestina. Sommigen binnen de groep hebben elkaar
pas een aantal dagen voor de concertreeks ontmoet, en zich alleen thuis kunnen
voorbereiden. Dat oefenen was belangrijk, want de ritmische cycli uit de Indiase
muziek, de tala's, zijn niet eenvoudig. Ook zeker niet voor bassist Tjitze
Vogel en saxofonist Paul Weiling, die dit gezelschap samenstelden in het kader
van de concertreeks van 'Music: World Series'.
Ingewikkelde ritmiek of niet, in het tweegesprek tussen tabla-speler Niti
Ranjan Biswas en ud-speler Nizar Rohana, respectievelijk uit Bangladesh en
Palestina, spat het plezier van het podium af. Weiling speelt in golvende
lijnen over de dialoog heen, terwijl de baslijn van Vogel gestaag doorgaat.
Vogels stuk 'Fake Folk' waarmee de band aftrapt, is een directe ontmoeting
tussen jazz en wereldmuziek.
Zo is het in bijna iedere compositie: een samenkomst van twee, of eigenlijk
vijf, werelden. Ieder heeft zijn eigen stijl meegenomen, en toch smelten de
klanken samen alsof ze nooit gescheiden zijn geweest. Dit concept behoort
tot de doelstellingen van de oprichters van Music: World Series, die sinds
1998 verschillende muziekwerelden bij elkaar zetten. Geboren uit nieuwsgierigheid
naar hoe muziek, samengesteld uit verschillende tradities, mengt, zet de stichting
speciale projectensembles op, waar vanuit concertseries ontstaan.
Dat mondt niet altijd uit tot een rimpelloze samenkomst van klanken. Als
de Hongaarse violist Zoltán Lantos begint te spelen, wordt er veel
van de luisteraar verwacht. Hij laat een mix horen van improjazz en gekke
eigenwijze lijnen. Muziek voor geoefende oren. In 'Flow Motion', een lied
van de Duitse saxofonist Paul Weiling, worden wrange Oosterse klanken verzacht
door de sax die meespeelt met de melodie van de ud. Het klinkt dan ook meteen
een beetje jazzy, totdat Weiling stopt en je weer terugkeert in Oosterse sferen.
Het is inspirerend te zien hoe de muzikanten genieten en hoe gepassioneerd
de ud- en tabla-spelers met elkaar communiceren. In het stuk 'Passacaglia'
van violist Lantos lijken de geluiden van viool en sax samen één.
Lantos speelt bevlogen op zijn tarangini, de speciale viool met vijf snaren
en vijftien resonantiesnaren. Hij is thuis in de taal van de improvisatiejazz
en produceert herhalende patronen op steeds andere toonhoogten, terwijl hij
door de ritmes van de tabla heen fietst. De muziek begeeft zich steeds langs
muzikale grenzen, aan de ene kant vrij en improviserend, aan de andere kant
binnen het stramien van bijvoorbeeld de dwingende Indiase tala's.
In het stuk 'Hips' vliegen de handen van Ranjan Biswas over de tabla's heen,
terwijl de violist alle drama van de wereld bij elkaar speelt. Rohana speelt
soms unisono met de viool mee, en dan weer helemaal niet. Het is moeilijk
te onderscheiden wanneer er geïmproviseerd wordt en wanneer niet. Met
de soms zich eindeloos herhalende lijnen lijken de muzikanten in trance te
raken. Prettig, maar soms langdradig. Ook daarin begeeft de muziek zich in
de buurt van een grens, waarbinnen alles mogelijk is, maar waar af en toe
overheen wordt gegaan.
De combinatie van instrumenten van dit gezelschap is buitengewoon, het spel
onheilspellend, vrolijk en onnavolgbaar tegelijk. Het ensemble speelt een
divers geheel aan stukken, waarin ondanks de vele invloeden toch de rust wordt
gevonden. Tjitze Vogel toont zich een meesterlijk bassist die haast dansend
zijn instrument bespeelt. Weiling laat zich horen op sopraansax en alt, nu
eens jazzy, dan weer dissonant en speels. Dat laatste geldt voor ieder van
de vijf muzikanten van Tales of Tala.
Tales of Tala *****
DE TIMBRES VERSMELTEN TOT EEN LONKEREND AMALGAAM
©Ton Maas, de Volkskrant 4 april 2011
31/3 Lantaren Venster Rotterdam, tournee tot 11/4
Bij de Music: World Series draait het om ontmoetingen. In het geval van Tales
of Tala, de laatste series van dit seizoen, zelfs heel letterlijk, want een
aantal van de musici had elkaar twee dagen voor de première nog nooit
gezien. Het feit dat dit vijftal al bij de aftrap van de tournee als collectief
over een herkenbaar muzikaal handschrift beschikt - na slechts een gezamenlijke
repetitie - maakte daardoor extra indruk.
Wat zeker hielp, waren de melodieuze en lyrische composities van de verschillende
groepsleden, veelal speciaal voor dit project geschreven. In vrijwel elk stuk
worden de klankmogelijkheden en - combinaties van de bezetting optimaal uitgebuit.
Vooral tijdens synchroon uitgevoerde combinatiefiguren door viool, sopraan-
of altsax, contrabas en ûd (Arabische luit) versmelten de verschillende
timbres tot een soms fluwelig, dan weer flonkerend amalgaam. Initiator Paul
Weiling (saxofoons) maakt daarnaast juist in deze setting indruk als solist.
Tales of Tala is losjes gebaseerd op ritmische patronen uit de Indiase klassieke
muziek, maar zelfs tablaspeler Niti Ranjan Biswas uit Bangladesh is vrijzinnig
genoeg om los te komen van al te letterlijke citaten. Pas als de fenomenale
Zoltán Lantos zijn tarangini ter hand neemt (een speciaal voor hem
ontworpen viool met vijf speelsnaren en vijftien resonantiesnaren) lijkt het
alsof je het klaaglijke gejammer van de Indiase sanragni (vedel) hoort. Maar
den neemt de ûd van de Palestijn Nizar Rohana het onverwacht over en
weet je niet meer waar in het Oosten je precies bent.
Muzikale werelden die samenkomen en zo naadloos vervloeien dat grenzen niet
langer lijken te bestaan. Een enkele keer heb je als toeschouwer het voorrecht
er getuige van te zijn.
AANSTEKELIJK VROLIJK GELEGENHEIDSPROJECT
Balkan meets Brasil ****
Gezien 17 februari, Jazz International Rotterdam. Tournee tot 6 maart.
Bij de aftrap van een nieuw gelegenheidsproject in het kader van de Music: World Series is het soms nog wat zoeken naar de vorm.
Donderdagavond moest je in het Rotterdamse Grounds (voorheen WMDC) als toeschouwer wel heel goed opletten om daar iets van te merken.
Het muzikale treffen tussen de Braziliaanse zangeres Ceumar en haar landgenote Simone Sou op percussie en slagwerk
met de Moldavische accordeonvirtuoos Oleg Fateev liep dankzij dienstbaar doorsmeerwerk van
basgitarist Patrick Kuschel en rietblazer Ben Mendes niet alleen op rolletjes, maar ook in een sfeer van aanstekelijke feestvreugde.
Als Braziliaanse verstaat Ceumar de kunst om inspanning en moeite weg te moffelen achter lichtvoetigheid en een stralende glimlach.
Bij tegenspeler Fateev is veel meer gekweldheid van het gezicht af te lezen, al dient die in het licht van de
Slavisch volksaard met een korreltje zout genomen te worden. Toch bracht de voorstelling wel enige ongelijkheid aan het licht,
want waar Fateev zich op overtuigende wijze de Braziliaanse tongval had eigen gemaakt, kon Ceumar na enkele verhaspelingen van het
Moldavisch volstaan met op ontwapenende wijze toegeven dat ze toch nog wat meer zou moeten oefenen.
Van een teveel aan artistieke pretenties waaronder interculturele muzikale ontmoetingen niet zelden gebukt gaan,
is bij 'Balkan meets Brasil' niets te merken.
Met enige regelmaat komen speelse citaten uit afgekloven meezingers als Those were the days voorbij,
maar nooit meer dan nodig om de ongedwongenheid van het optreden te benadrukken.
De voorstelling kende veel sterke momenten, maar het meest memorabel was toch een weemoedige
Moldavische ballade die vrijwel ongemerkt overging in een door Fateev indringend gezonden lied van Tom Jobim.
Dat deed hij dan stiekem wel weer in zeven achtste, een voor de Braziliaanse muziek zeer ongebruikelijke maatsoort
waar Sou echter geen enkele moeite mee bleek te hebben.
Ook zij stal regelmatig de show met haar messcherpe en gevarieerde spel.
© Ton Maas, de Volkskrant 21-02-2011
SICILIAANSE MELANCHOLIE
Siren Songs, Gezien 27 november de X, De Burcht , Leiden
Siren Songs is als tijdelijk project dat opgebouwd is rond musici uit verschillende
genres typisch voor de Music: World Series. De vier leden zijn afkomstig uit
Sicilië en Nederland. Zangeres Matilde Politi is bekend om haar interpretaties
van traditionele liederen, terwijl Sandro Fazio en basgitarist Mark Haanstra
vooral actief zijn in de jazz. Percussionist Martin Verdonk heeft zijn sporen
vooral verdiend in de Afro-Cubaanse muziek. De band heeft weinig tijd gehad
om zijn programma bij te slijpen, en dat is soms te merken in het optreden.
De meeste stukken zijn gebaseerd om Siciliaanse tradiotionele liederen, terwijl
Politi, Fazio en Haanstra daarnaast eigen stukken aandragen.
De eerste set bestaat vooral uit traditionele Siciliaanse liederen waarin Politi de natuurlijke hoofdrol speelt
met de voor dat eiland typische vibrato en de siertonen die midden-oosters aandoen. In de vaak melancholische teksten, gelukkig in het Engels ingeleid door Politi,
komt het dagelijks leven van de Sicilianen aan de orde en speelt het leven bij en op zee een centrale rol. Ook Griekse, Arabische en Sefarische
teksten worden met veel overtuigingskracht gezongen, een weerspiegeling van de geschiedenis van het eiland. Bij die geschiedenis horen ook de sirenen
die we uit de Griekse mythologie kennen. Fazio's 'Siren Mood' is het eerste nieuwe stuk waarvoor een traditionele tekst wordt gebruikt.
Het samenspel klinkt nergens geforceerd, want de musici geven elkaar flink de ruimte. De grote ervaring van Haanstra en Verdonk in zeer verschillende
muzikale situaties wordt bevestigd door hun zeer terughoudende spel waarin subtiele accenten domineren. Sandro Fazio is een vloeiend spelende
gitarist die de Sicilaanse melancholie een meer hedendaagse en jazzachtige kleur geeft. Het tweede deel van het concert bestaat uit
vooral complexere stukken die de theatrale capaciteiten van Matilde Politi meer muzikaal perspectief bieden. In 'The Storm', een compositie van
Haanstra over een schipbreuk, is ze vooral een verteller met een natuurlijke spanningsboog. De toegift is in conrast met de rest vna het concert een vrolijk revue-achtig nummer
met een polkaritme dat het vooroorlogse Italië oproept.
© Ken Vos, Leids Dagblad
AANGRIJPEND LIED OVER GELIEFDEN
Siren Songs,19 november Korzo Den Haag ***
Geen goed idee om de nieuwste voorstelling in het kader vna de Music: World Series (MWS)zo te openen als zangeres
Matilde Politi vrijdagavond deed in het Haagse theater Korzo 5 Hoog.
Wie niet vertrouwd was met de eeuwenoude Siciliaanse volkspolyfonie en haar vreemde glissandi, melodiewendingen en dissonanten,
zou erdoor de indruk kunnen krijgen dat Politi niet eens toon kan houden,een indruk die nog versterkt werd door haar wat onbeholpen gitaarspel.
Om pas nadat ze zich later in de voorstelling had bewezen als loepzuiver intonerend stemkunstenares,alsnog te beseffen dat de avond met iets heel bijzonders was begonnen.
Hoe fraai het ingetogen gitaarspel van Sandro Fazio, de ragfijne percussie van Martin Verdonk en de zoevende basgitaar van Mark Haanstra ook in elkaar grepen,
tot ruim een half uur na aanvang bleef het klankbeeld toch wat eenvorming.
Met een aangrijpende lied over twee Sicilaanse geliefde die elkaar na jaren van onzekerheid terugzien in Istanbul - hij als slaaf, zij in de harem van de sultan - sloeg de groep jazzier paden in
en werd de interactie tussen de vier muzikanten vrijer en spannender.
Die trend zette door en maakte de tweede set heel wat overtuigender dan de eerste.
Vooral Politi zelf liet de teugels vieren, breidde haar toch al indrukwekkende vocale palet uit met fluitende boventoonzang en
behendig spel op tamboerijn en concertina.Uiteindelijk maakte ze zelfs een uitgelaten rondedans over het toneel,
zonder met haar strakke accenten op de castagnetten ook maar een tel te missen.
Kleine kanttekening: toelichtingen in gebroken Engels hebben zeker hun charme,
maar op een gegeven moment heb je het als touwschouwer wel gehad met de eindeloze
verhaspelingen en het omstandig uitbeelden van zaken waarvoor woorden niet
te binnen willen schieten, zeker als een breed ingezet verhaal nergens toe
blijkt te leiden.
© Ton Maas, Volkskrant , 22-11-2010
BALKANFOLKLORE EN IMPRO-JAZZ SMAAKT NAAR MEER
Moldavia Calls, zaterdag 16 oktober 2010, SJU Jazzpodium, Utrecht
Utrecht kan met recht de stad worden genoemd waar de mix van wereldmuziek
en jazz in de begin jaren tachtig tot ontwikkeling is gekomen. Musici als
bassist Tjitze Vogel, drummer Michael Baird, saxofonist Steven Kamperman en
fluitist Mark Alban Lotz zijn de initiatoren van deze cross-over van jazz
en wereldmuziek. In het SJU Jazzpodium kreeg men de gelegenheid die stroming
te ontwikkelen.
De organisatie achter de 'Music: World Series' organiseert concerten en samenwerking
van projectensembles, bestaande uit musici uit diverse tradities en culturen.
Moldavia Calls is zo'n ensemble dat van 7 oktober tot en met 17 oktober een
korte tournee langs de relevante podia in Nederland maakt.
De groep, bestaande uit altviolist Anatol Stefanet, EWI- en folkinstrument-bespeler
Alexander Arcus, percussionist Gary Tverdohleb (allen uit Moldavië), gitarist
en banjospeler Paul Palessen en fluitist Mark Alban Lotz, liet in het SJU
Jazzpodium een aangename mengeling van folkloristische- en jazzmuziek horen.
Het is altijd maar afwachten of een cross-over van Balkanklanken en impro-jazz
tot een gunstig resultaat leidt. In dit geval was daar zeer zeker sprake van.
In de veelal oriëntaalse composities werden door fluitfenomeen Alban Lotz
virtuoze, jazzy solo's geblazen. Stefanet soleerde geïnspireerd en melancholisch
in de complexe Balkan-maatsoorten.
De beide voornaamste solisten werden door de ritmesectie - inclusief de op
EWI (een elektronisch blaasinstrument) baspartijen spelende Arcus overtuigend,
swingend en relevant muzikaal begeleid. Daarnaast excelleerde drummer Tverdohleb
met een fraaie solo op de xylofoon en Arcus eenmalig op de kaval (een fluit
die op de Balkan en het Turkse platteland wordt gebruikt).
Enigszins uit de toon binnen het gehele repertoire viel een door Stefanet
gecomponeerde suite geïnspireerd op de barokmuziek. Afgezien daarvan was het
een zeer geslaagd concert waarin jazz, Moldavische en zelfs Indiase invloeden
resulteerden in een avontuurlijke en interessante mix van Balkanfolklore en
impro-jazz. Deze melange smaakte erg goed en naar meer.
©Jacques Los, 21-10-2010 in Draaiomjeoren.blogspot.com
BESNUFFELEN, UITDAGEN EN VIRTUOSITEIT BIJ MOLDAVIA CALLS
Het stuk heet 'Nistru Song´, vernoemd naar de rivier die Moldavië doorsnijdt.
Het werd geschreven door de Duits- Nederlandse fluitist Mark Aban Lotz, nota
bene op basis van een Afrikaans ritme. Wat overigens de Moldaafse slagwerker
Gary Tverdohleb niet weerhoudt om het stuk naar zich toe te trekken met een
fantastische solopartij vol Balkanmelodieën op de xylofoon. Het is deze vorm
van grenzeloos musiceren die de concertserie Musica Globalista in het MCH
- Mondiaal Centrum Haarlem - kenmerkt.
Het aanbod van avontuurlijke jazzgeoriënteerde concerten in Haarlem is schaars.
De Philharmonie heeft er maar mondjesmaat ruimte voor in de programmering
- vooral op de Club Phil avonden. De Haarlemse Jazzclub bestaat al ruim vijftien
jaar niet meer. En bijna vier jaar geleden sloot door het overlijden van Hans
Asselbers' Studio Grasland als podium voor spannende muziek. Sinds 2009 tracht
het MCH in deze leemte te voorzien - en dan vooral waar het ontmoetingen betreft
tussen Nederlandse jazzmusici en die uit andere culturen.
Het theaterzaaltje van het MCH voldoet qua akoestiek en techniek aan alle
professionele eisen. De programmering is ook dit najaar weer buitengewoon,
met internationale topnamen uit zowel de jazz als de wereldmuziek. Het enige
probleem lijkt een 'imagoprobleem'. De reguliere avantgarde- en jazzliefhebbers
die wel hun weg naar de Philharmonie of het Bimhuis weten te vinden zien het
MCH blijkbaar nog steeds als een soort buurthuis of Fair Trade ontmoetingscentrum.
Ten onrechte. Het concert van de multinationale gelegenheidsgroep Moldavia
Calls verdiende zondagmiddag een veelvoud van de enkele tientallen bezoekers
die de weg naar het MCH wisten te vinden.
Initiatiefnemer van Moldavia Calls is fluitist Mark Alban Lotz, een pionier
in het organiseren van muzikale mélanges. Eerder dit najaar kwam hij al naar
Musica Globalista met zijn project A Fula´s Call, samen met de Senegalese
zanger Omar Ka. Maar zondag ging het dus over Moldavië. Op het Ethno Jazz
Festival in de Moldaafse hoofdstad Chisinau ontmoette Lotz altvioolvirtuoos
Anatol Stefanet - een vermaard muzikant in de avant-gardescene van Oost-Europa
en de Balkan. De twee smeedden het plan om samen te gaan werken, wat resulteerde
in het project Moldavia Calls, dat in Haarlem het laatste van zes Nederlandse
concerten gaf.
Stefanet nam slagwerker Tverdohleb en de jonge multi- instrumentalist Alexandru
mee. Lotz nodigde gitarist en banjospeler Paul Pallesen uit, ook een duizendpoot
in het Nederlandse muziekcircuit. Het resultaat was een voortdurend spel van
besnuffelen, uitdagen en muzikaal in het diepe duiken met Stefanet en Tverdohleb
als instrumentale 'lefgozers'. D e stukken van de altviolist vegen de voer
aan met alle genre- indelingen. Zijn 'Jazzfolksonata' springt van een Mozart-achtig
allegro via een bezwerend oriëntaals largo naar een huppelend folk-scherzo.
Fascinerend, soms neigend naar Mini & Maxi-achtig muzikaal varieté, maar altijd
virtuoos.
© Peter Bruyn, Haarlems Dagblad
MOLDAVIË CALLS IN 'X- WORLD SERIES' 15 oktober De Burcht, Leiden
Het per seizoen wisselende aanbod van de Music: World Series bij de X bestaat
vooral uit formaties die geïmproviseerde muiziek koppelen aan wat wereldmuziek
wordt genoemd. Een beetje ongelukkig gekozen, want wereldmuziek kan uit een
of meerdere genres voortkomen, nog afgezien van de culturele herkomst. Het
enige wat er niet onder valt is West-Europese of Noord-Amerikaanse muziek
die niet als volksmuziek wordt beschouwd, vermits er geen sprake is van een
fusie met andere muziekculturen.
Een typische vertegenwoordiger van heterogene wereldmuziek is de kortstondig
bestaande formatie Moldavia Calls, een Moldavisch-Nederlandse combinatie van
jazzfluitist Mark Alban Lotz, die overigens oorspronkelijk uit Duitsland afkomstig
is, Hij heeft al veel ervaring met allerlei wereldmuziekprojecten die variëren
van Cuba tot India. De andere Nederlander is Paul Pallese, een improgitarist
die een zwak heeft voor de Schotse en Ierse volksmuziek. Oorspronkelijk zou
de band uit twee Moldaviërs bestaan, altviolist Anaol Stefanet en Gary Tverdohleb
van Trigon, een groep die al eerder in Leiden te zien was en zich weinig aantrekt
van muzikale grenzen.
Als tolk-chauffeur kwam Alexander Arcus uit Chisinau mee en hij bleek tot
verrassing van de Nederlandse gastheren ook een zeer vaardige multi-instrumentalist
te zijn. Hij wordt op het laatste moment aan het kwartet toegevoegd. Het grootste
deel van het optreden blijft hij op de achtergrond door baspartijen te spelen
op zijn elektronische blaasinstrument, de EWI. Later, in de tweede set, blijkt
hij ook een uitstekende improvisator te zijn op de kanval, de fluit uit de
oosterse Balkan en het midden-oosten. De klankkleur van Moldavia Calls is
doorzichtig ondanks de elektronica en dat is de verdienste van slagwerker
Tverdohleb. Centraal in het klankbeeld staat vaak de contrabasfluit van Lotz
die ook op de Indiase bansuri indruk maakt.
De kracht van de band zit in het repertoire van Stefanet, Pallese en Lotz,
een prikkelende combinatie van balkanritmiek, Keltisch geïnspireerde melodieën,
een enkel Indiaas thema en Cubaanse motieven. Stefanet gaat daarnaast ook
uit van klassiek structuren in zijn driedelige 'Jazz Folk Sonata', waarin
Bach terug te horen is. Is de eerste set al zeer gevarieerd, de tweede helft
van het concert is nog veelvormiger met onder meer een ingetogen, sbtiele
bajosolo van Pallesen in 'The Irregular Man' en een Kirgizisch geïnspireerd
duo van Stefanet en Tverdohleb.
Het wat gratuïte spektakelstuk is 'Blues à la Japonaise ', waarin als circusachtig
hoogtepunt Stefanet en Tverdohleb tegelijk op de basgitaar van Arcus slaan,
terwijl hij daarop doorspleet. De wisselende muzikale invloeden maken daarentegen
geen geforceerde indruk omdat die bijna altijd functioneel zijn voor de muzikale
vorm.
© Ken Vos, Leids Dagblad
BACH MET EEN BALKAN-OVERDRIVE 7 oktober Tropentheater Amsterdam
Spannende dialoog tussen Moldavische en Nederlandse musici
Fluitist Mark Alban Lotz begon de première van het project 'Moldavia Calls'
in het Amsterdamse Tropentheater met een wat ongebruikelijke inleiding over
missie en opzet van de Music: World Series. Een goed idee, want het interculturele
aspect van deze muzikale ontmoeting was niet vanaf het begin evident.
De eerste stukken die het kwartet ten gehore bracht, vertoonden de stijlkenmerken
van wat meestal jazz wordt genoemd, en bovendien van een soort waarvoor in
het Engels de fraaie term quirky (eigenzinnig, grillig) wordt gebruikt.
Alleen al qua bezetting - slagwerk, gitaar of banjo, basfluit en altviool
- is de groep nogal ongebruikelijk. Goed was te merken dat bij dit eerste
optreden nog gezocht werd naar evenwicht in het klankbeeld, dat bij aanvang
de nodige warmte ontbeerde.
Tijdens een licht slepende clave, opgedragen aan een rivier die door Moldavië
stroomt, vulde zwierig xylofoonspel door slagwerker Gary Tverdohleb de ruimte
tussen de schrille klank van Anatol Stefanets altviool, het aan Ry Cooder
refererende, ijle getokkel van gitarist Paul Pallessen en het diepe gebrom
uit Mark Lotz' imposante contrabasfluit.
Pas toen begon het ensemblespel op overtuigende wijze samen te smelten, Daarna
kreeg ook de dialoog tussen het Nederlandse en Moldavische smaldeel echt gestalte.
Eerst in een door Stefanet gecomponeerde suite die van Bach via balkaneske
overdrive terug tot Bach voerde en vervolgens in een stuk met de veelzeggende
titel 7/16. Pas tegen het einde van de avond werd nog een extra verrassing
uit de hoe getoverd in de gedaante van Alexandru Arcush, kavalspeler en basgitarist
van de Moldavische groep Trigon. Diens gastoptreden mondde uit een hilarische
act, waarbij eerst Tverdohleb op de grond ging liggen om met zijn drumstokken
de snaren van de basgitaar te kunnen bewerken en vervolgens ook violist Stefanet
zich met blote handen in het strijdgewoel mengde.
© Ton Maas, Volkskrant 09-10-2010
SPANNEND MENU LEIDT TOT WELDADIG WRINGEND RITME
Antilliaanse en Surinaamse muzikanten storten zich met overgave in het avontuur.
Bij de Music World Series (MWS) draait alles om muzikale confrontaties die
de deelnemende muzikanten prikkelen om nieuw terrein te betreden. Een ontmoeting
tussen Surinaamse en Antilliaanse muzikanten lijkt vanuit Nederland bezien
misschien niet erg avontuurlijk, maar dat bleek donderdagavond in het Rotterdamse
World Music and Dance Centre een misvatting. Al vanaf de eerste inzet was
de interactie tussen de vijf musici uitdagend en enerverend.
Het zijn niet de minsten die zanger en gitarist Steve Mariat bijeen heeft
gebracht voor zijn project. Meesterdrummer Walther Muringen is net als hij
uit Suriname afkomstig. Het Antilliaanse smaldeel bestaat uit de Arubaanse
basgitarist Reno Steba en de Curaçaose pianist Randal Corsen. Steelpanvirtuoos
Konkie Halmeyer kwam voor de tournee overgevlogen uit Willemstad.
De ingrediënten van het muzikale menu worden gesymboliseerd door Antilliaanse
maïspap (funchi) en Surinaamse gedroogde vis (batjaw). Vooral de wisselwerking
tussen de gesyncopeerde vierkwartsritmes uit Suriname – een erfenis van de
vele militaire kapels met hun marsmuziek – en zwierige Antilliaanse walsjes
leidde tot weldadig wringende polyritmiek. Die bood Corsens lenige pianospel
en Halmeyers galmende pannenset alle gelegenheid om gracieus met elkaar te
flirten. Zanger Mariat mengde zich soms met klaterende, woordloze scat in
de rondedans. Hij betoonde zich een veelzijdig zanger en een meeslepend liedvertolker.
Het is een belevenis om mee te maken hoe deze ‘oude rotten’ zich voluit in
het avontuur storten.
© Ton Maas, Volkskrant 30-01-2010 FUNCHI CON BATJAW 28/1, WMDC Rotterdam.
Tournee t/m 6/2.
INDIASE KLASSIEKE MUZIEK MET EEN BLUESY GROOVE
Leiden, De X, 28 november 2009
De projecten van de Music: World Series (MWS) - waarbij artiesten uit verschillende tradities aan de hand van nieuw repertoire tijdens een korte tournee gezamenlijke raakvlakken verkennen - monden soms uit in een cd en een enkele keer zelfs in een permanent ensemble. Songs of the Saints, een idee uit de koker van de uit India afkomstige zangeres Sandhya Sanjana, lijkt de omgekeerde weg te bewandelen, want de cd is al gemaakt en wordt tijdens de tournee ten doop gehouden.
Dat was te merken, want waar het bij eerdere MWS-projecten aan het begin nog weleens zoeken was naar de vorm, bleken de deelnemers aan Songs of the Saints zaterdagavond in Leiden vanaf de eerste inzet intuïtief vertrouwd met het speelveld en in staat om spontaan op elkaars vondsten in te haken. De weinige misgrepen waren te wijten aan de gebrekkige monitoring op het podium, waardoor de muzikanten elkaar niet goed konden horen.
Percussionist Jasper Goedman en contrabassist Marko Bonarius rolden een groove uit waar je ondanks inventieve variaties op kon bouwen, daarmee fundament en ruimte biedend aan de vaak woordloze scat van Sanjana en het zowel ritmisch als melodisch uitdagende spel van Mark Tuinstra op gitaar en Zoltan Lantos op viool en tarangini (een speciaal voor hem ontwikkelde viool met tweede hals en 15 extra resonantiesnaren).
Sandhya Sanjana mag dan Indiaas klassiek geschoold zijn, ze is evenzeer gepokt en gemazeld in de jazz. Kapstok van haar project is een aantal toonzettingen van werken van beroemde Indiase dichters, vaak opgedragen aan goden uit het Hindoeïstisch pantheon.
De kleuren van het klankpalet van het ensemble zijn echter overwegend westers, haar eigen stem en de viool van Lantos (soms) uitgezonderd. Een ingetogen ode aan Shiva, slechts begeleid op akoestisch gitaar en contrabas, deed qua sfeer en toonzetting zelfs denken aan zinderende blues uit de Mississippi delta.
© Ton Maas, de Volkskrant 30 november 2009
HET WRINGT EN BOTST TEVEEL IN WESTERS-ARABISCHE ONTMOETING
AMERSFOORT, Theater De Lieve Vrouw, 28 maart.
Bij de muzikale ontmoeting tussen culturen die de Music: World Series (MWS) voor ogen staat, mag het best een beetje wringen en zelfs botsen. In Arabesque, de voorstelling van zangeres Rajae el Mouhandiz, gebeurde dat ook, maar niet zoals bedoeld.
Het kwartet dat El Mouhandiz begeleidt, verschilt nauwelijks van een doorsnee jazzcombo: piano, gitaar, slagwerk en contrabas, Het repertoire waarmee ze de avond opende, sloot er naadloos bij aan. Pas toen zangeres Souad Amhai als speciale gast op het podium verscheen, werd duidelijk dat dit project draait om het spanningsveld tussen Arabische traditie en westerse moderniteit.
De uitwerking daarvan in een variatie op Coltranes klassieker A love supreme en een stuk opgedragen aan alle Habibi's in de zaal, had helaas iets van een ongelijke strijd: El Mouhandiz kreeg bij haar jazzy improviseerstijl rugdekking van het kwartet, terwijl Amhai voor haar traditionele Arabische variant moest opboksen tegen al die vreemde akkoorden.
Andersom bewoog Amhai zich met heel wat meer gemak en routine over het podium dan El Mouhandiz. De indruk dat de vorm van het project nog niet was uitgekristalliseerd, werd daardoor alleen maar versterkt.
De pauze markeerde een wonderlijke metamorfose van zoeken en tasten naart cohesie en zeggingskracht. In een aantal sterke, tweetalige (Engels en Arabisch) songs vol zelf geschreven persoonlijke ontboezemingen ontpopte Rajae El Mouhandiz zich als een soepel en trefzeker fraserend vocaliste met een imposante stem.
Hoewel minder geslaagd als project in de Music World Series, zou ze met dit werk beslist een gooi kunnen doen nar de Grote Prijs van Nederland in de categorie singer-songwriter.
Ton Maas © De Volkskrant, 31-03-2009 Nog te zien in Den Haag (3 april), Utrecht (4 april) en Amsterdam (9 april).
MYSTIC VOICES, 15 februari, Theater De Lieve Vrouw Amersfoort
De Music World Series (MWS) is in de tien jaar van haar bestaan uitgegroeid tot een belangrijk laboratorium voor onderzoek naar muzikale integratie tussen verschillende culturen. Soms blijft het bij een boeiende ontmoeting, soms ontstaan er combinaties die na afloop van het project een eigen leven gaan leiden. Bij 'Mystic Voices', de voorstelling die Wilma Paalman (zang, cello en accordeon) met muzikanten uit Iran, Spanje, de V.S. en Nederland voor de MWS ontwikkelde, is de magie al in het eerste stuk voelbaar. Laag voor laag wordt de spanning opgebouwd: vanuit zacht kloppende percussie ontvouwt zich traag en ingetogen een ragfijn muzikaal brokaat vol verrassende klankkleurcombinaties. Paalmans indringende zang krijgt onverwacht meerstemmige bijval; twinkelend getokkel op een Perzische tar (langhalsluit) doorklieft golvende klankdraden uit klarinet en trombone. Het geheel ademt een vanzelfsprekendheid die des te verrassend is als je bedenkt dat vooraf slechts tweemaal kon worden gerepeteerd en dat flamencozangeres Curra Suárez pas halverwege de tournee is ingestapt, ter vervanging van de Marokkaanse soefizanger Ali Bahia El Idrissi. Van al die beperkingen is niets te merken. Integendeel, de composities lijken tot in detail uitgewerkt en ingestudeerd en als na twee sets van elk ruim een uur om een toegift wordt gevraagd, is er nog repertoire genoeg voorhanden om twee nieuwe stukken uit de hoed te toveren. Hoewel je ongemerkt de halve wereld rond reist, van oriëntaalse devotie via stampvoetende flamenco tot Caribische swing, staat het concept als een huis. Dat laatste is mede te danken aan het samengebrachte talent. Als Marcel Cuypers zijn klarinet laat jammeren - soms zelfs terwíjl hij gelijktijdig piano speelt - waan je je echt even op de Balkan.
© Ton Maas, Volkskrant 18 februari 2009
GANDHI BAZAAR. 27 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.
Nog te zien in Amsterdam (5 dec.) en Utrecht (6 dec.)
De projecten van de Music World Series (MWS) kennen meestal een hoog improvisatorisch
gehalte, aangezien veel van de deelnemers een stevige ondergrond in de jazz
met zich meebrengen. Fluitist en componist Ned McGowan, oprichter van Karnatic
Lab, koos voor zíjn MWS-project voor grotendeels uitgewerkte composities,
hoewel hij genoeg ruimte voor speelse interactie overliet. Als uitgangspunt
voor de stukken nam McGowan de poëzie van de Nederlands-Iraanse dichteres
Nafiss Nia. Vervolgens stelde hij een opmerkelijk ensemble samen, met muzikanten
uit zeer uiteenlopende disciplines. Het concept pakte al bij de allereerste
voorstelling wonderwel uit, mede dankzij het feit dat er flink gerepeteerd
was. Dat leidde onder meer tot een naadloos gesynchroniseerd slagwerkduel
tussen B.C. Manjunath op mridangam (de Zuid-Indiase tegenhanger van de tabla)
en Enric Monfort op cajon, vol razendsnelle ritmische figuren en onverwachte
breaks. McGowan zelf gebruikte zijn imposante contrabasfluit soms als dirigeerstokje
en zorgde zowat voor een tektonische breuk door eventjes zijn 'octaver' (elektronisch
verlagingseffect) in te schakelen.
Het meest verrassend waren de vocale bijdragen van de jonge zangeres Esra
Dalfidan - tot dusver vooral bekend als jazzartiest - die ver buiten haar
vertrouwde domein opereerde en ook het Turkse idioom tot in de puntjes blijkt
te beheersen. Behalve met haar indringende voordracht maakte ze indruk met
haar loepzuivere intonatie, zelfs wanneer gifmenger Raphael Vanoli de meest
bizarre dissonanten uit zijn Stratocaster peuterde. Fraai was ook de afwissing
tussen de door Dalfidan gezongen strofen van Nia's gedicht Analytisch leven
en het door McGowan gesproken refrein 'Ik weet dat ik besta, maar van het
bestaan weet ik weinig'.
Hoewel de naam Gandhi Bazaar Indiase klanken suggereert, blijft het etnische
aspect van de voorstelling beperkt tot het karnatische getrommel van Manjunath.
Voor wie bekend is met de projecten van Karnatic Lab in Amsterdam zal dat
geen verrassing zijn, want daar wordt vooral inspiratie geput uit de compositorische
principes van de Zuid-Indiase klassieke muziek en niet zozeer uit de typisch
Indiase klankkleuren. Tijdens de tweede set was plaats ingeruimd voor een
vrolijk intermezzo, waarbij de vijf muzikanten naar voren kwamen voor een
ritmisch complex, woordloos stemmenspel, gebaseerd op de karnatische instructietaal
konnakol (waarin verschillende aanslagtechnieken worden aangeduid met syllaben).
Een fraai voorbeeld van vrijzinnig en creatief hergebruik van traditionele
stijlvormen en technieken.
©TON MAAS, Volkskrant 2 dec 2008
ZOVEEL MOGELIJK NOTEN EN SPONTANE IMPROVISATIES
Jubileumfestival Music World Series, 16 november SJU Jazzpodium Utrecht.
Geïmproviseerde muzikale estafette van Music: World Series maakt indruk, ondanks repetitie van slechts één dag.
Wat tien jaar geleden begon uit nieuwsgierigheid - zo van 'goh, hoe zou dat klinken, een flamencogitaar samen met sitar en accordeon?' - mondde uit in een instituut, althans een regelmatig terugkerende reeks muzikale samenwerkingsprojecten volgens vaste formule: enkele muzikanten uit verschillende disciplines, die elkaar (meestal) niet kennen, komen bijeen en ontwikkelen al improviseren en repeterend een gezamenlijke voorstelling, waarmee vervolgens een korte tournee wordt gemaakt. Zondagavond keerden de oprichters terug naar de plek waar het allemaal begon het Utrechtse SJU Jazzpodium, voor een muzikale estafette waaraan zoveel mogelijk deelnemers aan voorbije en komende projecten van de Music: World Series (MWS) deelnamen.
Henk Spies, MWS-er van het eerste uur, verzorgde de aftrap met een solo op sopraansax, die via 'wonderbaarlijke klankvermenigvuldiging' (dankzij moderne elektronica) uitmondde in een duet met zanger Mola Sylla. Vervolgens schoof ook percussionist Nikos Tsilogiannis aan, waarna Sylla het stokje overdroeg aan de Russische 'verteller' Leonid Vlassov. Diens dramatische verhandeling over een oude heerser werd zowel melodisch als ritmisch gepareerd door MWS-aartsvader Tjitze Vogel op contrabas. Ook Steven Kamperman, een van de andere initiatiefnemers van de serie, ging een kort en flitsend duel aan met Vlassov, dat geheel conform de geest van kameraadschappelijkheid eindigde in gelijkspel.
Ondanks de extreem korte voorbereidingstijd van één repetitiedag wisten veel combinaties indruk te maken. De Chinese erhu-speelster Fang Weiling speelde een lyrisch duet met luitist Hakim Chanane op ûd, nadat ze kort ervoor met Behsat Üvez en diens piepkleine baglama (langhalsluit) in de zandbak der allerhoogste noten had rond gedold. Chanane tekende voor nog een ander verfijnd en ingetogen duet, ditmaal met fluitist Mark Lotz op de Indiase bansuri.
Het programma na de pauze had een zo mogelijk nog informeler karakter, met geheel spontane improvisaties. Ned McGowan van Karnatic Lab, die alleen was gekomen om te luisteren, werd toch tot deelname verleid en ging op een geleende basfluit de confrontatie aan met accordeonist Klaus Kuiper. Tijdens hun optreden liet ûd-speler Karim Eharruyen al tokkelend door het gangpad naar voren en voegde zich bij hen voor een van de spannendste uitwisselingen van de avond.
Het sluitstuk van de viering van tien jaar Music: World Series bestond uit een
massasessie onder leiding van 'dirigent' Klaus Kuiper, die steeds een andere
muzikant aanwees om meteen een solo te verzorgen, waarna het ensemble dan weer
inzette met als enige richtlijn: 'Zoveel mogelijk noten tegelijk!', hetgeen
op het podium zichtbaar veel spelplezier opleverde en aan de zaal bulderende
lachsalvo's ontlokte.
© TON MAAS, De Volkskrant, 18 november 2008
SWINGENDE EN SOEPELE SYNTHESE CUBAANS EN KAAPVERDISCH' RITME
CaboCubaJazz, 5 oktober Cultureel Podium Roepaen. Nog te zien in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Amersfoort en Leiden.
Bij de projecten van de Music: World Series (MWS) is meestal goed te merken dat er enige moeite is gedaan om stijlen uit verschillende culturen met elkaar te verzoenen of juist fraai te laten contrasteren. CaboCubaJazz, de jongste loot aan de MWS-boom, lijkt daarentegen volkomen moeiteloos tot stand te zijn gekomen. Initiatiefnemer en percussionist Nils Fischer, veteraan uit de gelederen van Nueva Manteca, bracht simpelweg twee van zijn Cubaanse en twee van zijn Kaapverdische vrienden bij elkaar en zorgt zelf voor de verbindende ritmische schakels. Dat er toch extra inspanningen zijn gedaan om deze swingende synthese tot stand te brengen, blijkt bijvoorbeeld uit de koortjes: in het soms geraffineerd meerstemmige vraag-en-antwoordspel met zangeres Dina Medina zingen beide Cubanen de Kaapverdische liedteksten woord voor woord mee, al zie je bassist Dennis Nicles soms smokkelen.
Net als je denkt dat het allemaal iets te zonnig wordt, begint pianist Carlos Matos aan het ingetogen en zinderen voorspel tot een morna, de lokale blues van Kaapverdië, waarin Medina vervolgens haar meest aangrijpende vertolking ten beste geeft. Toch lijkt de missie van deze MWS-editie het meest uit de verf te komen in twee instrumentale stukken, want juist daarbij worden de muzikanten het verst uit hun vertrouwde tent gelokt en betreden zijn in soepel samenspel het onomheinde klanklandschap van de jazz.
© Ton Maas, De Volkskrant, 7 oktober 2008
OEIGOERSE MUZIEK VERBINDT OOST EN WEST
Kashgar Express, 5 april SJU Jazzpodium Utrecht. Nog te zien donderdag 10 april in het Tropentheater Amsterdam.
De voorstelling Kashgar Express behoort wonderlijk genoeg tot zowel de minst pretentieuze als de meest ambitieuze projecten van de Music World Series. Naar een idee van Kamil en Gülendem Abbas - vooraanstaande vertolkers van de traditionele muziek uit Oeigoerië, de bakermat van de Turkse beschaving in het noordwesten van China.
Deze muzikale spoorlijn verbindt net als de legendarische Oriënt Express, Oost met West en alles wat daar tussen ligt. Zo krijgen Oeigoerse liederen een verrassende Balkanbehandeling en worden ze soms zelfs met piepknor en aanverwante elektronica bewerkt.
Bij aanvang van de korte tournee, zaterdagavond op het Utrechtse jazzpodium, bleek het gelegenheidsensemble rond de familie Abbas, met de Chinese multi-instrumentalist Wu Wei en de Nederlanders Robbert van Hulzen (slagwerk) en Klaus Kuiper (accordeon, percussie en elektronica) nog niet volledig op elkaar ingespeeld. Het leverde grappige momenten op, als de muzikanten wanhopig naar elkaar gebarend tot een gezamenlijk slot probeerden te komen.
Er waren echter ook magische momenten, waarop alle elementen perfect in elkaar grepen. Tijdens het lied Chiraylik (Oeigoers voor schoonheid) werd de operateske zang van Gülendem Abbas ingebed in een hemelse melange van klanken uit Kamils gejek (knievedel), Wu Wei's sheng (mondorgel) en de door Kuiper bespeelde Vietnamese dan bau (eensnarige citer met jankpookje).
Het meest aangrijpende onderdeel van de voorstelling was de vertolking van een tragisch liefdeslied door Kamil Abbas: 'Ik had willen spelen op mijn rhubab, maar haar snaar is gebroken. Ik had willen zingen, maar mijn stem reikt niet hoog genoeg. Ik had willen zingen, maar niemand heeft zo geleden dat hij mijn verdriet kan begrijpen.'
© Ton Maas, Volkskrant 9 april 2008
KAMIL ERDEM MET INTRIGEREND SAMENSPEL EN VIRTUOZE SOLI 30 januari Korzo Theater, Den Haag
Even leek het de kant op te gaan van eerdere cross-overs tussen muziek uit het Midden-Oosten en jazz, vol synchroon gespeelde unisono figuurtjes. Maar met een aan de tango refererend stuk zette de gelegenheidscombinatie rond basgitarist Kamil Erdem - een project van de MWS (Music: World Series) - al snel een volstrekt eigen signatuur neer.
Misschien juist ómdat ze in Istanbul actief zijn hielden Erdem en ûdspeler Fatih Ahiskali zich verre van Turkse muziekstereotypen. Fluitist Mark Alban Lotz, oudgediende bij de MWS, ontmoette beide mannen in hun woonplaats en nodigde hen uit voor dit project.
Het drietal bracht met percussionist Alan 'Gunga' Purves een indrukwekkende voorstelling vol intrigerend samenspel, waarbij partijen subtiel in elkaar overvloeiden. Hoogtepunt was een stuk waarbij magiër Purves het voortouw nam door met zijn van een viltbol voorziene toverstaf een koperen schel tot zingen te brengen die hij op het vlak van een enorme raamtrommel had gelegd Het weefsel dat Erdem en Lotz daar met repetitief fingerpicking en -tapping op de basgitaar, respectievelijk grommende contrabasfluitklanken uit sponnen, werd door Ahiskali met venijnige tegenritmes fraai van reliëf voorzien. Na de pauze boette het ensemblespel enigszins in aan concentratie, maar dat werd gecompenseerd door solistische hoogstandjes. Purves nam daarbij wederom het voortouw met een virtuoos clownsnummer met klepperbotjes, maar Erdem deed qua vingervlugheid en muzikaliteit niet voor hem onder.
© Ton Maas, Volkskrant 2 februari 2008
Fred Hoekstra was enthousiast over de première van Maliblu, 18 november in Amersfoort. Lees hier zijn verslag.
Hieronder de recensie die op 23 november verscheen in De Volkskrant.
MALIBLU 18 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort. Nog te zien in Den Haag (28 nov.), Amsterdam (29 nov.) en Utrecht (1 dec.)
Even leek het te gaan om een paar Hollandse knapen die eens lekker loos willen gaan op Afrikaanse trommels. Pas toen na een langdradig drum-intro gitarist Anton Goudsmit aantrad, kreeg de zaak wat meer samenhang. Met de opkomst van zangeres Minyeshu Kifle Tedla als stralend middelpunt viel eindelijk alles op zijn plek. Maliblu, het nieuwste project van de Music: World Series, beoogt een brug te slaan tussen West en Oost-Afrika, gerepresenteerd door multi-instrumentalist Zoumana Diarra uit Mali en zangeres Minyeshu uit Ethiopië. Dankzij de vier Nederlandse muzikanten van Maliblu stroomt er bovendien wat Caribisch water onder deze brug. Hoewel drie man sterk is de ritmesectie de zwakste schakel in het geheel. Als er voluit mag worden gespeeld, wil het nog wel lukken, maar zodra een lied vraagt om ingetogen spel, raakt men geregeld het zicht op de groove kwijt. Een stuk van Minyeshu dat geïnspireerd is door de Sahara, kwam daardoor niet echt uit de verf. Pas bij hun bewerking van een traditioneel lied uit het oosten van Ethiopië vonden de muzikanten het juiste evenwicht tussen swing en subtiliteit. Toen werd er ook echt geschitterd. Ondanks Diarra's virtuositeit op de West-Afrikaanse kora - gedemonstreerd tijdens een klaterende solo die door de rest van het ensemble helaas eerder werd ondermijnd dan versterkt - was het telkens weer Goudsmit die verraste met zijn avontuurlijke gitaarspel, gebied ontginnend waar de meeste Afrikaanse muzikanten zich niet wagen. Maar dé sensatie van Maliblu is toch zangeres Tedla, die als een leeuwin met wapperende manen heerst over het podium. Onmiskenbaar een wereldster in wording.
Ton Maas, De Volkskrant 21-11-2007
ZHARBIA 10 oktober, Korzo, Den Haag.
Het gebeurt niet vaak dat een gelegenheidscombinatie al bij het allereerste optreden een onmiskenbaar eigen groepskarakter vertoont. Bij Zharbia, het nieuwste project van de 'Music: World Series' (MWS), was dat vrijwel vanaf de aanvang van het concert het geval. De link tussen Zuid-Spaanse en Marokkaanse muziek is natuurlijk wel vaker gelegd, al dan niet onder het bijna mythologische vaandel van 'Al-Andalus', maar werd zelden zo spannend vormgegeven als in de interactie tussen ûdspeler Karim Eharruyen en flamencozangeres Curra Suarez. Eharruyen maakte als instrumentalist aanzienlijk meer indruk dan enkele jaren geleden in het Global Village Orchestra. Zijn ûdspel is zowel ritmisch als melodisch een stuk verfijnder geworden en bovendien voegt hij met aan de gitaar ontleende fingerpicking-technieken interessante nieuwe klankmogelijkheden toe aan het palet van de Arabische luit. Het contrast tussen de sierlijk buitelende melodielijnen uit de ûd en de rauwe intensiteit van Suarez' diepe, indringende alt werd optimaal uitgebuit. De tweekoppige ritmesectie leunt voor wat de groove betreft sterk op het stuwende contrabasspel van MWS-mainstay Tjitze Vogel. Percussionist Joshua Samson overtuigt het meest in het aanbrengen van speelse versieringen of dramatische accenten. Toen hij minutenlang het lastige 'dronkemansritme' van de Marokkaanse gnawa-klepperaars moest aanhouden, liep hij soms net even te recht in de pas. De meest ongewone bijdragen aan het groepsgeluid waren afkomstig uit de viool van Jeffrey Bruinsma. Als een kameleon sloop deze door de gelederen, soms spitsvondig duellerend met de ûd, dan weer aanschurkend tegen de ritmesectie of harmonisch weerwerk biedend aan Suarez' vocale capriolen. Met gedurfde soli wist hij zowel het publiek als zijn medemuzikanten telkenmale te verrassen.
© Ton Maas
GNAOUA RAGA, 31 januari, Korzo Theater Den Haag
De muzikale kruisbestuivingen van de Music World Series zijn nooit gebaseerd op voorgekookte receptuur maar op een gedeelde passie voor de muziek, nieuwsgierigheid naar die van de ander(en) en avonturiersgeest bij het gezamenlijk verkennen van soms nog nauwelijks betreden grensstreken.
Woensdagavond ging in het Haagse Korzotheater een nieuw MWS-project van start met de Hindoestaanse zanger Raj Mohan, het trio Gnaoua Electrique en rietblazer/fluitist Philip de Goey. Er viel heel wat te genieten, maar er bleef ook iets wringen.
Zelfs als je Gnaoua Electrique-gitarist Derk Groen even buiten beschouwing laat, was de getalsverhouding tussen het Marokkaanse aandeel en het Indiase 2-1 in het nadeel van de raga. Dat hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar de expressiemiddelen van deze tradities sluiten nauwelijks op elkaar aan. De Indiase raga is ritmisch zeer complex en kent een groot aantal subtiel verschillende toonladders. Muzikanten besteden vele jaren aan het perfectioneren van ragfijne nuances. Bij de muziek van de gnaoua - nazaten van slaven die eeuwen geleden vanuit West-Afrika naar Marokko werden gehaald - is de uitvoering nooit een doel op zich en gericht op het teweegbrengen van trance. Dat betekent veel herhaling, zowel van relatief simpele ritmische patronen als van korte gezongen frasen en jachtig geplok op de basluit. Mohan had daardoor soms moeite om de subtiliteit van de raga te laten doorklinken, hoewel De Goey hem op hobo fraai ondersteunde.
Voor het publiek in de grote zaal van Korzo maakte dat alles niet uit. De stuwende gnaouaritmes werden enthousiast ontvangen en lokten zelfs een spontane derwisjdanser uit het publiek de vloer op.
©Ton Maas, De Volkskrant.
A FULA'S CALLING 7 december, Tropentheater Amsterdam.
Uit de recensie in de Financial Times van 2 januari 2007 : ''A Fula's Calling's signature was the visible care they all took of one another, as the vocals segued from Bhattarcharya to Ka and back again, and the delight they took in each other's performances: a palpable expression of friendship''. De complete recensie vind je hier.
A FULA'S CALLING 19 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.Het lijkt inmiddels traditie dat het slotconcert van het Global Village Festival
in Amersfoort tevens de aftrap is van een nieuw project in het kader van de
'Music: World Series' (MWS), waarbij jazzmusici samenwerken met muzikanten
uit andere culturen. De première van A Fula's Calling, zondagmiddag
in Theater De Lieve Vrouw, vormde het onbetwiste hoogtepunt in die reeks tot
dusver.
Qua bezetting hebben de projecten uit de MWS wel vaker een hoog rariteitenkabinetgehalte,
maar ook in dat opzicht spande A Fula's Calling de kroon. Behalve de Duitse
fluitist Mark Alban Lotz, de Frans-Duitse gitarist Raphaël Vanoli, de
Iraanse percussionist Afra Mussawisade, de Indiase tablaspeler Sandip Battacharya
en de Senegalese zanger Omar Ka was vanwege de 'Women Edition' van het festival
een speciale gast uitgenodigd: de Tibetaanse zangeres Namgyal Lhamo.
Voor haar was deelname aan het project een grotere stap dan voor de andere
musici, omdat ze zich nooit eerder zo nadrukkelijk aan muzikale grensoverschrijdingen
had gewaagd. Een drietal liederen uit haar repertoire van Tibetaanse opera
en volksmuziek werd op smaakvolle en toch avontuurlijke wijze voorzien van
exogene klankkleuren, hetgeen de toegankelijkheid van de muziek aanzienlijk
verhoogde.
Ondanks de enorme geografische afstand tussen hun beider tradities kleefde
er aan de vocale duetten Lhamo met Omar Ka niets gekunstelds. Bovendien bleek
de Tibetaanse bepaald niet wars van een beetje swing. Toen de band een liefdeslied
van haar op pittige wijze onder handen nam, stond ze heupwiegend en 'finger
snapping' achter haar microfoon te glunderen.
In contrast met de omvang van zijn indrukwekkende arsenaal fluitachtigen,
waaronder de Indiase bansuri en een enorme contrabasfluit van pvc-afvoerpijp,
stelde voorman Lotz zich bescheiden en vooral dienend op, hoewel hij af en
toe even spetterde met acrobatische staaltjes van meertonigheid, door stem
en blaastechniek te combineren.
Hoewel Omar Ka als zanger minder veelzijdig is dan zijn landgenoot Mola Sylla
- die aan eerdere edities van de MWS deelnam - wist hij gaandeweg de voorstelling
steeds meer te overtuigen. Zijn typisch West-Afrikaanse gitaarspel, hoog en
twinkelend, mengde fraai met de traditionele Tibetaanse luit van Lhamo.
Toch was vooral één muzikant verantwoordelijk voor het amalgaam
dat de voorstelling zo bijzonder maakte: gitarist Vanoli. Gezeten op een krukje
pleegde hij met zijn elektrische gitaar plus effectpedalen telkens weer verrassende
melodische interventies en harmonische oplossingen. Steeds als je als luisteraar
verbaasd afvroeg waar déze wonderlijke klanken nu weer vandaan kwamen,
bleek hij de leverancier.
© Ton Maas
Global Village Festival Amersfoort, gehoord: 19 november
A FULA'S CALLING
Een zangduet van een Senegalees en een Tibetaanse, begeleid door een tablaspeler
uit India, een percussionist uit Iran en een gitarist uit Duitsland, dit alles
onder leiding van een bespeler van de contrabasfluit uit Zeist.
Kan dat? Ja, dat kan. En het klonk zelfs prachtig op het Global Village Festival,
dat afgelopen zondag werd afgesloten in De Lieve Vrouw te Amersfoort.
Fluitist Mark Alban Lotz bracht er het programma A Fula's Calling rond zanger
/ gitarist Omar Ka uit Senegal. De laatste mocht zijn versie van de Senegalese
blues spelen, maar de andere bandleden kregen ook de kans op de voorgrond
te treden.
In ieder stuk stond een andere muzikant centraal, met heel zijn of haar achtergrond
en traditie.
De samenwerkende wereldmuzikanten brachten zowel traditionele als nieuwe stukken
ten gehore, steevast teruggebracht tot handzame uitgangspunten voor de improvisaties.
Waarbij opviel dat degene die in het ene stuk de diva mocht uithangen, in
het volgende dienstbaar op de achtergrond bleef. Want opgeblazen ego's bestaan
niet in Lotz' formaties.
Jeroen de Valk, AD Amersfoort, 22 november 2006

Bron: De Volkskranr, 4 april 2006

Bron: NRC, 6 februari 2006

Bron: De Volkskrant, 22 november 2005

Bron: De Volkskrant, 24 september 2005
Bron: Utrecht Nieuwsblad, 4 december 2004
Bron: De Volkskrant, 8 juni 2004
Bron: NRC, 5 mei 2004
Bron: Trouw, 2 mei 2004
Bron: De Volkskrant, 5 mei 2004
Verbroedering op Global Village Festival
Utrechts Nieuwsblad, 17-12-2001
Amersfoort - De tabla is het hoogbegaafde kind van het slagwerkassortiment. Een klein, onaanzienlijk trommeltje met onverwachte mogelijkheden; dat demonstreerde de Utrechtse Indiër Sandip Bhattacharya met verve gedurende het tweede Global Village Festival, afgelopen weekend in Amersfoort. Bespeel het met de vingertoppen, de platte vingers of de vlakke hand, en je tovert een compleet universum aan klanken tevoorschijn.
Het trommeltje kan zelfs spreken, zo lijkt het; het zegt verwonderd 'hè? hè?', mompelt sceptisch 'ja? ja' en jammert klaaglijk 'au-au-au!', alvorens los te barsten in een heftig 'ra-ta-ta-ta-ta!!!', gelijk hagelstenen op een dakraam.
Bhattacharya trad op met 'Flying Tabla', een wonderlijk kwintet met twéé Nederlanders, twéé Indiërs en één Afrikaans georiënteerde Antilliaan waarin op verbluffende wijze alles in elkaar greep. Het resultaat was een demonstratie van grensoverschrijdende verbroedering waar zelfs de fanatiekste antiglobalisering-activist niets tegen kan hebben. Er werd probleemloos en vaak spannend samengespeeld met simpele, aan de jazz ontleende middelen: de vorm 'gezamenlijk thema - serie solo-improvisaties - weer het thema', het 'chase-chorus' (een vraag-en-antwoord spel) en het principe dat wie nìet soleert, de keuze heeft tussen begeleiden of aandachtig luisteren. Voor de hand liggend, het Ei van Columbus, maar zeer effectief.
Deze jazzy uiting van het multiculturele gedachtegoed is tot stand gekomen dankzij de pioniers van 'Music: World Series', een serie sessies en concerten in het Utrechtse SJU Jazzpodium die drie jaar terug van start ging. Inmiddels is 'Music: World Series' uitgegroeid tot een respectabel instituut waar vaste groepen uit voortkomen, dat tournees organiseert en dit weekend wederom - in samenwerking met Theater De Lieve Vrouw - een afvaardiging naar Amersfoort stuurde. Het theater voegde aan de serie concert en workshops enkele niet-Westerse films toe. Het resultaat waren drie dagen vol koortsachtige activiteit die het ganse theatertje deed vibreren; in deze kolommen kan dan ook slechts een globaal (jawel) overzicht worden gegeven. Terwijl boven in de filmzalen kinderen naar 'Kirikou en de heks' keken, legde Steven Kamperman een etage lager aan Amersfoortse amateur-muzikanten uit hoe je over exotische maatsoorten en toonladders kan improviseren, en concerteerde Franky Douglas' Bugarabu Band luidruchtig op de begane grond. Dit in Amsterdam gevestigde orkestje begon, overeenkomstig de hoofdstedelijke traditie, een half uur te laat maar kwam meteen ter zake. Terwijl de ritmesectie met gitarist Douglas (Curaçao) een hups ritme inzette, liet Sean Bergin (Zuid-Afrika) zijn saxofoon scheuren met een timbre dat strookte met zijn bouwvakkerpostuur, bracht cellist Ernst Reijseger (Naarden) een stroom van subsidiabel gepiep en geknars voort en brak basgitarist Leslie Joseph (wereldburger) alle snelheidsrecords.
Het festival beleefde zijn apotheose gedurende de twee concerten van het Global Village Orchestra, een gelegenheidsformatie met elf Music-World Series-veteranen uit bijna even zovele streken. De Alle Elf Goed van het SJU Jazzpodium dus. Onder leiding van Tjitze Vogel (Friesland) waren de stukken van gedegen, richtinggevende arrangementen voorzien die oeverloos geïmproviseer voorkwamen. Diep ontroerend was een innig zangduet van Behsat Üvez (Turkije) en Mola Sylla (Senegal) - vol heimwee naar hun geboortegronden, al lagen die duizenden kilometers uiteen - en een mineurig lied van violist Kamil Abbas over Uighur, een gedeelte van China met een oeroude, rijke traditie die officieel niet bestaat. Meer windstreken in één orkest werden niet eerder aangetroffen. Al kwam de band van Bhattacharya hier aardig in de buurt toen fluitist Rein Spoorman in een Oosters ritme kans zag 'Al die willen te Kaap'ren varen' te citeren. Dat is immers óók wereldmuziek.
Global Village Festival, gezien: 14, 15 en 16/12, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort. Op 6/1 start daar een serie wereldjazz-concerten.
De Volkskrant
Global Village vindt collectieve ziel laat
de Volkskrant, Kunst, 17 december 2001
Ton Maas
MUZIEK, Global Village Orchestra. 15/12. Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.
Luister naar "Karavaan" in MP3 formaat of in RealAudio formaat.
De tevreden blik waarmee Tjitze Vogel al tijdens de eerste set, geleund over zijn contrabas, om zich heen keek naar 'zijn' jongens, was op dat moment nog niet echt gerechtvaardigd. Het was weliswaar een mooi idee - elf in Nederland levende muzikanten van uiteenlopende culturele achtergrond samenbrengen in één 'orkest' - maar het tweede en laatste optreden van het Global Village Orchestra (een project van Vogel en Henk Spies ) maakte duidelijk hoe lastig het is om multicultureel, improviserend én orkestraal met succes te combineren.
Een probleem bij het samenstellen van zo'n ensemble lijkt het vinden van gelijkwaardige grootheden. Natuurlijk is het aardig dat een Nederlands wereldmuziekorkest ook een Marokkaan bevat, maar Karim Eharryuen leverde met zijn ud (Arabische luit) een wel erg summiere bijdrage. Bovendien wist hij tijdens zijn schaarse solo's niet echt te overtuigen. Onterecht was de bescheiden rol van Kamil Abbas. Deze violist uit Oeigoer, een Turkstalige streek in China, heeft veel meer in z'n mars dan hij in Amersfoort mocht laten zien en horen. Bovendien werd hij regelmatig overstemd door de blazers, een probleem waaraan ook de geluidstechniek debet leek. Verder werd van de diensten van accordeonist en pianist Alexei Levin amper gebruik gemaakt.
Twee andere muzikanten maakten wél veel indruk: de Senegalees Mola Sylla, die zich in deze setting ontpopte als een behendig en trefzeker improviserend stemkunstenaar, en de Turkse zanger, saz-speler en percussionist Behsat Üvez. Na de pauze zette die de toon met zijn indringende vertolking van een weemoedig lied over heimwee. Bovendien wist hij met zijn contrastrijke vingerwerk op darabouka en tamboerijn soms het hele ensemble uit handen te spelen van zijn 'rivaal', de Libische slagwerker Roberto Haliffi.
De pauze markeerde een kentering. Niet dat er duidelijk beter werd gemusiceerd, maar het ensemble leek zijn collectieve ziel te hebben gevonden. De voorstelling bereikte haar hoogtepunt met Globalistics van rietblazer Steven Kamperman, die er zelf in schitterde als solist. Daarna mochten muzikanten én publiek zich nog even lekker uitleven bij de Hongaar Akos Laki, die zijn verweerde tenorsax liet schateren van plezier.
De Volkskrant
Het nut van langdurig oefenen
22 december 2001
Ton Maas
MUZIEK, Djesz Kabab, Sandip Battacharya en Mark Alban Lotz. 20/12, SJU Podium, Utrecht.
De Stichting Jazz Utrecht lijkt serieus te werken aan het verleggen van de eigen grenzen. Hun Music: World Series getuigt in elk geval van de juiste intenties. Donderdagavond werd een multiculturele jamsessie gehouden, met als lichtende voorbeelden fluitist Mark Alban Lotz en tablaspeler Sandip Battacharya, allebei muzikale grensgangers par excellence. Helaas maakte dit 'open podium' vooral duidelijk hoe moeilijk het is om muzikanten zónder gedeelde traditie zo met elkaar te laten improviseren dat er ook voor het publiek iets te beleven valt. Bij gebrek aan harmonisch houvast bleef het steken in schrale grooves en vrijstaande soli. Veel leuker dan de open sessie bleek het voorafje, een optreden van de elfkoppige amateurformatie Djesz Kakab, een groep die is opgekweekt in de SJU-kraamkamer. Natuurlijk valt er nog het nodige te winnen aan subtiliteit, raffinement en interactie, maar wat in amper anderhalf jaar uit de grond werd gestampt, is indrukwekkend. Veel is daarbij te danken aan de arrangementen van repetitor Steven Kamperman, die de groep sinds enige tijd onder zijn hoede heeft genomen. Door uit te gaan van de mogelijkheden en beperkingen van de acht blazers plus ritmesectie, gaf hij deze enthousiaste amateurs de kans om boven zichzelf uit te stijgen. Van veel lef getuigt ook de repertoirekeuze. Na zich eerst op de Balkan te hebben gestort, grasduint Djesz Kabab tegenwoordig in de schatkamer van de Arabische wereld en bracht in het SJU-café een 'Moorse Suite' ten gehore met Marokkaanse liefdesliedjes, bewerkingen van Oum Khalsoum-hits en zelfs een compositie van de Libanese ex-pat Rabih Abou-Khalil. Djesz Kabab eigende zich zijn stuk The Happy Sheik met verve toe door het hier en daar iets te vereenvoudigen. Onbedoeld werd in het SJU-café gedemonstreerd hoe je interculturele muzikale ontmoetingen meestal beter niét kunt aanpakken - onvoorbereid en vanuit de losse pols - en hoe wél: een gestructureerde aanpak plus veel en langdurig samen oefenen.
De Volkskrant
Gitarist Vaarzon Morel laat duizend snaren zingen
4 maart 2002
Ton Maas
MUZIEK, Eric Vaarzon Morel & 1001 Snaren. 2 maart, Sju-podium Utrecht
Dat je voor flamenco niet in de wieg gelegd hoeft te zijn, bewees Eric Vaarzon Morel al eerder. Als gitarist is hij misschien minder uitgelaten dan sommige Spaanse collega's, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vloeiende en lyrische spel met fraai gedoseerde dynamische contrasten. Bovendien heeft de afstand tussen zijn Amsterdamse wieg en de bakermat van de flamenco hem een zekere distantie verschaft waardoor hij zich vrijer tot de traditie verhoudt. Met zijn nieuwe project 1001 Snaren gaat Vaarzon Morel nog een stap verder. Bonter kon het gezelschap waarmee hij zaterdagavond aantrad op het Utrechtse Sju-podium, nauwelijks zijn. De combinatie van flamenco met de muziek van de griots uit het stroomgebied van de Gambia in West-Afrika, met jazz als smeermiddel, werd al eerder met succes gerealiseerd in het zogenoemde Songhai-project. Vaarzon Morel voegde daaraan cymbaalvirtuoos Marius Preda uit Roemenië toe. Nadat de instrumentalisten zich hadden gepresenteerd met een soort estafette van korte soli, vertilde het gelegenheidsensemble zich al meteen aan het titelstuk van Vaarzon Morels nieuwe cd Sol y Sombra. Het samenspel was te weinig afwisselend en smeekte om de hand van een vaardig arrangeur. Bovendien zaten al die snaren elkaar danig in de weg. De gitaren van Vaarzon Morel en jazzgitarist Jan Kuiper verdronken samen met de kora van Karamo Kuyateh uit Gambia in de galmende klankgolven uit het cymbaal van Preda. Achteraf bezien was die zwakke start een geschenk, want mede daardoor kon zich voor de ogen van het publiek een klein wonder voltrekken. Dankzij gedegen vakmanschap, veel ervaring met muzikale grensverkenning en een ontwapenende openheid voor elkaars bijdragen wisten de vijf muzikanten - voor wie deze ontmoeting in enkele gevallen de allereerste was - hun gezamenlijke optreden tot een doorslaand succes te maken. Na de pauze waren ook de laatste hindernisjes uit de weg geruimd en konden enkele spontane kreten van slagwerker Mousse Pathe M'baye uit Senegal uitmonden in een speels en avontuurlijk duel met gitarist Kuiper. Daarna steeg de groep tot grote hoogte, waarbij de rollen voortdurend werden omgedraaid: ontregelende jazz-akkoorden uit het cymbaal, flamencobreaks uit de kora en Afrikaans getwinkel uit de gitaren.



