SPANNEND MENU LEIDT TOT WELDADIG WRINGEND RITME
Antilliaanse en Surinaamse
muzikanten storten zich met
overgave in het avontuur.
Bij de Music World
Series (MWS) draait alles om muzikale
confrontaties die de deelnemende
muzikanten prikkelen om
nieuw terrein te betreden. Een ontmoeting
tussen Surinaamse en Antilliaanse
muzikanten lijkt vanuit
Nederland bezien misschien niet
erg avontuurlijk, maar dat bleek
donderdagavond in het Rotterdamse
World Music and Dance
Centre een misvatting. Al vanaf de
eerste inzet was de interactie tussen
de vijf musici uitdagend en
enerverend.
Het zijn niet de minsten die zanger
en gitarist Steve Mariat bijeen
heeft gebracht voor zijn project.
Meesterdrummer Walther Muringen
is net als hij uit Suriname afkomstig.
Het Antilliaanse smaldeel
bestaat uit de Arubaanse basgitarist
Reno Steba en de Curaçaose
pianist Randal Corsen. Steelpanvirtuoos
Konkie Halmeyer kwam
voor de tournee overgevlogen uit
Willemstad.
De ingrediënten van het muzikale menu worden gesymboliseerd door Antilliaanse
maïspap (funchi) en Surinaamse gedroogde vis (batjaw). Vooral de wisselwerking
tussen de gesyncopeerde vierkwartsritmes uit Suriname – een erfenis van de
vele militaire kapels met hun marsmuziek – en zwierige Antilliaanse walsjes
leidde tot weldadig wringende polyritmiek. Die bood Corsens lenige pianospel
en Halmeyers galmende pannenset alle gelegenheid om gracieus met elkaar te
flirten. Zanger Mariat mengde zich soms met klaterende, woordloze scat in
de rondedans. Hij betoonde zich een veelzijdig zanger en een meeslepend liedvertolker.
Het is een belevenis om mee te
maken hoe deze ‘oude rotten’ zich
voluit in het avontuur storten.
Ton Maas, Volkskrant 30-01-2010
FUNCHI CON BATJAW 28/1, WMDC Rotterdam. Tournee t/m 6/2.
INDIASE KLASSIEKE MUZIEK MET EEN BLUESY GROOVE
Leiden, De X, 28 november 2009
De projecten van de Music: World Series (MWS) - waarbij artiesten uit verschillende tradities aan de hand van nieuw repertoire tijdens een korte tournee gezamenlijke raakvlakken verkennen - monden soms uit in een cd en een enkele keer zelfs in een permanent ensemble. Songs of the Saints, een idee uit de koker van de uit India afkomstige zangeres Sandhya Sanjana, lijkt de omgekeerde weg te bewandelen, want de cd is al gemaakt en wordt tijdens de tournee ten doop gehouden.
Dat was te merken, want waar het bij eerdere MWS-projecten aan het begin nog weleens zoeken was naar de vorm, bleken de deelnemers aan Songs of the Saints zaterdagavond in Leiden vanaf de eerste inzet intuïtief vertrouwd met het speelveld en in staat om spontaan op elkaars vondsten in te haken. De weinige misgrepen waren te wijten aan de gebrekkige monitoring op het podium, waardoor de muzikanten elkaar niet goed konden horen.
Percussionist Jasper Goedman en contrabassist Marko Bonarius rolden een groove uit waar je ondanks inventieve variaties op kon bouwen, daarmee fundament en ruimte biedend aan de vaak woordloze scat van Sanjana en het zowel ritmisch als melodisch uitdagende spel van Mark Tuinstra op gitaar en Zoltan Lantos op viool en tarangini (een speciaal voor hem ontwikkelde viool met tweede hals en 15 extra resonantiesnaren).
Sandhya Sanjana mag dan Indiaas klassiek geschoold zijn, ze is evenzeer gepokt en gemazeld in de jazz. Kapstok van haar project is een aantal toonzettingen van werken van beroemde Indiase dichters, vaak opgedragen aan goden uit het Hindoeïstisch pantheon.
De kleuren van het klankpalet van het ensemble zijn echter overwegend westers, haar eigen stem en de viool van Lantos (soms) uitgezonderd. Een ingetogen ode aan Shiva, slechts begeleid op akoestisch gitaar en contrabas, deed qua sfeer en toonzetting zelfs denken aan zinderende blues uit de Mississippi delta.
© Ton Maas, de Volkskrant 30 november 2009
HET WRINGT EN BOTST TEVEEL IN WESTERS-ARABISCHE ONTMOETING
AMERSFOORT, Theater De Lieve Vrouw, 28 maart.
Bij de muzikale ontmoeting tussen culturen die de Music: World Series (MWS) voor ogen staat, mag het best een beetje wringen en zelfs botsen. In Arabesque, de voorstelling van zangeres Rajae el Mouhandiz, gebeurde dat ook, maar niet zoals bedoeld.
Het kwartet dat El Mouhandiz begeleidt, verschilt nauwelijks van een doorsnee jazzcombo: piano, gitaar, slagwerk en contrabas, Het repertoire waarmee ze de avond opende, sloot er naadloos bij aan. Pas toen zangeres Souad Amhai als speciale gast op het podium verscheen, werd duidelijk dat dit project draait om het spanningsveld tussen Arabische traditie en westerse moderniteit.
De uitwerking daarvan in een variatie op Coltranes klassieker A love supreme en een stuk opgedragen aan alle Habibi's in de zaal, had helaas iets van een ongelijke strijd: El Mouhandiz kreeg bij haar jazzy improviseerstijl rugdekking van het kwartet, terwijl Amhai voor haar traditionele Arabische variant moest opboksen tegen al die vreemde akkoorden.
Andersom bewoog Amhai zich met heel wat meer gemak en routine over het podium dan El Mouhandiz. De indruk dat de vorm van het project nog niet was uitgekristalliseerd, werd daardoor alleen maar versterkt.
De pauze markeerde een wonderlijke metamorfose van zoeken en tasten naart cohesie en zeggingskracht. In een aantal sterke, tweetalige (Engels en Arabisch) songs vol zelf geschreven persoonlijke ontboezemingen ontpopte Rajae El Mouhandiz zich als een soepel en trefzeker fraserend vocaliste met een imposante stem.
Hoewel minder geslaagd als project in de Music World Series, zou ze met dit werk beslist een gooi kunnen doen nar de Grote Prijs van Nederland in de categorie singer-songwriter.
Ton Maas © De Volkskrant, 31-03-2009 Nog te zien in Den Haag (3 april), Utrecht (4 april) en Amsterdam (9 april).
MYSTIC VOICES, 15 februari, Theater De Lieve Vrouw Amersfoort
De Music World Series (MWS) is in de tien jaar van haar bestaan uitgegroeid tot een belangrijk laboratorium voor onderzoek naar muzikale integratie tussen verschillende culturen. Soms blijft het bij een boeiende ontmoeting, soms ontstaan er combinaties die na afloop van het project een eigen leven gaan leiden. Bij 'Mystic Voices', de voorstelling die Wilma Paalman (zang, cello en accordeon) met muzikanten uit Iran, Spanje, de V.S. en Nederland voor de MWS ontwikkelde, is de magie al in het eerste stuk voelbaar. Laag voor laag wordt de spanning opgebouwd: vanuit zacht kloppende percussie ontvouwt zich traag en ingetogen een ragfijn muzikaal brokaat vol verrassende klankkleurcombinaties. Paalmans indringende zang krijgt onverwacht meerstemmige bijval; twinkelend getokkel op een Perzische tar (langhalsluit) doorklieft golvende klankdraden uit klarinet en trombone. Het geheel ademt een vanzelfsprekendheid die des te verrassend is als je bedenkt dat vooraf slechts tweemaal kon worden gerepeteerd en dat flamencozangeres Curra Suárez pas halverwege de tournee is ingestapt, ter vervanging van de Marokkaanse soefizanger Ali Bahia El Idrissi. Van al die beperkingen is niets te merken. Integendeel, de composities lijken tot in detail uitgewerkt en ingestudeerd en als na twee sets van elk ruim een uur om een toegift wordt gevraagd, is er nog repertoire genoeg voorhanden om twee nieuwe stukken uit de hoed te toveren. Hoewel je ongemerkt de halve wereld rond reist, van oriëntaalse devotie via stampvoetende flamenco tot Caribische swing, staat het concept als een huis. Dat laatste is mede te danken aan het samengebrachte talent. Als Marcel Cuypers zijn klarinet laat jammeren - soms zelfs terwíjl hij gelijktijdig piano speelt - waan je je echt even op de Balkan.
© Ton Maas, Volkskrant 18 februari 2009
GANDHI BAZAAR. 27 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.
Nog te zien in Amsterdam (5 dec.) en Utrecht (6 dec.)
De projecten van de Music World Series (MWS) kennen meestal een hoog improvisatorisch
gehalte, aangezien veel van de deelnemers een stevige ondergrond in de jazz
met zich meebrengen. Fluitist en componist Ned McGowan, oprichter van Karnatic
Lab, koos voor zíjn MWS-project voor grotendeels uitgewerkte composities,
hoewel hij genoeg ruimte voor speelse interactie overliet. Als uitgangspunt
voor de stukken nam McGowan de poëzie van de Nederlands-Iraanse dichteres
Nafiss Nia. Vervolgens stelde hij een opmerkelijk ensemble samen, met muzikanten
uit zeer uiteenlopende disciplines. Het concept pakte al bij de allereerste
voorstelling wonderwel uit, mede dankzij het feit dat er flink gerepeteerd
was. Dat leidde onder meer tot een naadloos gesynchroniseerd slagwerkduel
tussen B.C. Manjunath op mridangam (de Zuid-Indiase tegenhanger van de tabla)
en Enric Monfort op cajon, vol razendsnelle ritmische figuren en onverwachte
breaks. McGowan zelf gebruikte zijn imposante contrabasfluit soms als dirigeerstokje
en zorgde zowat voor een tektonische breuk door eventjes zijn 'octaver' (elektronisch
verlagingseffect) in te schakelen.
Het meest verrassend waren de vocale bijdragen van de jonge zangeres Esra
Dalfidan - tot dusver vooral bekend als jazzartiest - die ver buiten haar
vertrouwde domein opereerde en ook het Turkse idioom tot in de puntjes blijkt
te beheersen. Behalve met haar indringende voordracht maakte ze indruk met
haar loepzuivere intonatie, zelfs wanneer gifmenger Raphael Vanoli de meest
bizarre dissonanten uit zijn Stratocaster peuterde. Fraai was ook de afwissing
tussen de door Dalfidan gezongen strofen van Nia's gedicht Analytisch leven
en het door McGowan gesproken refrein 'Ik weet dat ik besta, maar van het
bestaan weet ik weinig'.
Hoewel de naam Gandhi Bazaar Indiase klanken suggereert, blijft het etnische
aspect van de voorstelling beperkt tot het karnatische getrommel van Manjunath.
Voor wie bekend is met de projecten van Karnatic Lab in Amsterdam zal dat
geen verrassing zijn, want daar wordt vooral inspiratie geput uit de compositorische
principes van de Zuid-Indiase klassieke muziek en niet zozeer uit de typisch
Indiase klankkleuren. Tijdens de tweede set was plaats ingeruimd voor een
vrolijk intermezzo, waarbij de vijf muzikanten naar voren kwamen voor een
ritmisch complex, woordloos stemmenspel, gebaseerd op de karnatische instructietaal
konnakol (waarin verschillende aanslagtechnieken worden aangeduid met syllaben).
Een fraai voorbeeld van vrijzinnig en creatief hergebruik van traditionele
stijlvormen en technieken.
©TON MAAS, Volkskrant 2 dec 2008
ZOVEEL MOGELIJK NOTEN EN SPONTANE IMPROVISATIES
Jubileumfestival Music World Series, 16 november SJU Jazzpodium Utrecht.
Geïmproviseerde muzikale estafette van Music: World Series maakt indruk, ondanks repetitie van slechts één dag.
Wat tien jaar geleden begon uit nieuwsgierigheid - zo van 'goh, hoe zou dat klinken, een flamencogitaar samen met sitar en accordeon?' - mondde uit in een instituut, althans een regelmatig terugkerende reeks muzikale samenwerkingsprojecten volgens vaste formule: enkele muzikanten uit verschillende disciplines, die elkaar (meestal) niet kennen, komen bijeen en ontwikkelen al improviseren en repeterend een gezamenlijke voorstelling, waarmee vervolgens een korte tournee wordt gemaakt. Zondagavond keerden de oprichters terug naar de plek waar het allemaal begon het Utrechtse SJU Jazzpodium, voor een muzikale estafette waaraan zoveel mogelijk deelnemers aan voorbije en komende projecten van de Music: World Series (MWS) deelnamen.
Henk Spies, MWS-er van het eerste uur, verzorgde de aftrap met een solo op sopraansax, die via 'wonderbaarlijke klankvermenigvuldiging' (dankzij moderne elektronica) uitmondde in een duet met zanger Mola Sylla. Vervolgens schoof ook percussionist Nikos Tsilogiannis aan, waarna Sylla het stokje overdroeg aan de Russische 'verteller' Leonid Vlassov. Diens dramatische verhandeling over een oude heerser werd zowel melodisch als ritmisch gepareerd door MWS-aartsvader Tjitze Vogel op contrabas. Ook Steven Kamperman, een van de andere initiatiefnemers van de serie, ging een kort en flitsend duel aan met Vlassov, dat geheel conform de geest van kameraadschappelijkheid eindigde in gelijkspel.
Ondanks de extreem korte voorbereidingstijd van één repetitiedag wisten veel combinaties indruk te maken. De Chinese erhu-speelster Fang Weiling speelde een lyrisch duet met luitist Hakim Chanane op ûd, nadat ze kort ervoor met Behsat Üvez en diens piepkleine baglama (langhalsluit) in de zandbak der allerhoogste noten had rond gedold. Chanane tekende voor nog een ander verfijnd en ingetogen duet, ditmaal met fluitist Mark Lotz op de Indiase bansuri.
Het programma na de pauze had een zo mogelijk nog informeler karakter, met geheel spontane improvisaties. Ned McGowan van Karnatic Lab, die alleen was gekomen om te luisteren, werd toch tot deelname verleid en ging op een geleende basfluit de confrontatie aan met accordeonist Klaus Kuiper. Tijdens hun optreden liet ûd-speler Karim Eharruyen al tokkelend door het gangpad naar voren en voegde zich bij hen voor een van de spannendste uitwisselingen van de avond.
Het sluitstuk van de viering van tien jaar Music: World Series bestond uit een
massasessie onder leiding van 'dirigent' Klaus Kuiper, die steeds een andere
muzikant aanwees om meteen een solo te verzorgen, waarna het ensemble dan weer
inzette met als enige richtlijn: 'Zoveel mogelijk noten tegelijk!', hetgeen
op het podium zichtbaar veel spelplezier opleverde en aan de zaal bulderende
lachsalvo's ontlokte.
© TON MAAS, De Volkskrant, 18 november 2008
SWINGENDE EN SOEPELE SYNTHESE CUBAANS EN KAAPVERDISCH' RITME
CaboCubaJazz, 5 oktober Cultureel Podium Roepaen. Nog te zien in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Amersfoort en Leiden.
Bij de projecten van de Music: World Series (MWS) is meestal goed te merken dat er enige moeite is gedaan om stijlen uit verschillende culturen met elkaar te verzoenen of juist fraai te laten contrasteren. CaboCubaJazz, de jongste loot aan de MWS-boom, lijkt daarentegen volkomen moeiteloos tot stand te zijn gekomen. Initiatiefnemer en percussionist Nils Fischer, veteraan uit de gelederen van Nueva Manteca, bracht simpelweg twee van zijn Cubaanse en twee van zijn Kaapverdische vrienden bij elkaar en zorgt zelf voor de verbindende ritmische schakels. Dat er toch extra inspanningen zijn gedaan om deze swingende synthese tot stand te brengen, blijkt bijvoorbeeld uit de koortjes: in het soms geraffineerd meerstemmige vraag-en-antwoordspel met zangeres Dina Medina zingen beide Cubanen de Kaapverdische liedteksten woord voor woord mee, al zie je bassist Dennis Nicles soms smokkelen.
Net als je denkt dat het allemaal iets te zonnig wordt, begint pianist Carlos Matos aan het ingetogen en zinderen voorspel tot een morna, de lokale blues van Kaapverdië, waarin Medina vervolgens haar meest aangrijpende vertolking ten beste geeft. Toch lijkt de missie van deze MWS-editie het meest uit de verf te komen in twee instrumentale stukken, want juist daarbij worden de muzikanten het verst uit hun vertrouwde tent gelokt en betreden zijn in soepel samenspel het onomheinde klanklandschap van de jazz.
© Ton Maas, De Volkskrant, 7 oktober 2008
OEIGOERSE MUZIEK VERBINDT OOST EN WEST
Kashgar Express, 5 april SJU Jazzpodium Utrecht. Nog te zien donderdag 10 april in het Tropentheater Amsterdam.
De voorstelling Kashgar Express behoort wonderlijk genoeg tot zowel de minst pretentieuze als de meest ambitieuze projecten van de Music World Series. Naar een idee van Kamil en Gülendem Abbas - vooraanstaande vertolkers van de traditionele muziek uit Oeigoerië, de bakermat van de Turkse beschaving in het noordwesten van China.
Deze muzikale spoorlijn verbindt net als de legendarische Oriënt Express, Oost met West en alles wat daar tussen ligt. Zo krijgen Oeigoerse liederen een verrassende Balkanbehandeling en worden ze soms zelfs met piepknor en aanverwante elektronica bewerkt.
Bij aanvang van de korte tournee, zaterdagavond op het Utrechtse jazzpodium, bleek het gelegenheidsensemble rond de familie Abbas, met de Chinese multi-instrumentalist Wu Wei en de Nederlanders Robbert van Hulzen (slagwerk) en Klaus Kuiper (accordeon, percussie en elektronica) nog niet volledig op elkaar ingespeeld. Het leverde grappige momenten op, als de muzikanten wanhopig naar elkaar gebarend tot een gezamenlijk slot probeerden te komen.
Er waren echter ook magische momenten, waarop alle elementen perfect in elkaar grepen. Tijdens het lied Chiraylik (Oeigoers voor schoonheid) werd de operateske zang van Gülendem Abbas ingebed in een hemelse melange van klanken uit Kamils gejek (knievedel), Wu Wei's sheng (mondorgel) en de door Kuiper bespeelde Vietnamese dan bau (eensnarige citer met jankpookje).
Het meest aangrijpende onderdeel van de voorstelling was de vertolking van een tragisch liefdeslied door Kamil Abbas: 'Ik had willen spelen op mijn rhubab, maar haar snaar is gebroken. Ik had willen zingen, maar mijn stem reikt niet hoog genoeg. Ik had willen zingen, maar niemand heeft zo geleden dat hij mijn verdriet kan begrijpen.'
© Ton Maas, Volkskrant 9 april 2008
KAMIL ERDEM MET INTRIGEREND SAMENSPEL EN VIRTUOZE SOLI 30 januari Korzo Theater, Den Haag
Even leek het de kant op te gaan van eerdere cross-overs tussen muziek uit het Midden-Oosten en jazz, vol synchroon gespeelde unisono figuurtjes. Maar met een aan de tango refererend stuk zette de gelegenheidscombinatie rond basgitarist Kamil Erdem - een project van de MWS (Music: World Series) - al snel een volstrekt eigen signatuur neer.
Misschien juist ómdat ze in Istanbul actief zijn hielden Erdem en ûdspeler Fatih Ahiskali zich verre van Turkse muziekstereotypen. Fluitist Mark Alban Lotz, oudgediende bij de MWS, ontmoette beide mannen in hun woonplaats en nodigde hen uit voor dit project.
Het drietal bracht met percussionist Alan 'Gunga' Purves een indrukwekkende voorstelling vol intrigerend samenspel, waarbij partijen subtiel in elkaar overvloeiden. Hoogtepunt was een stuk waarbij magiër Purves het voortouw nam door met zijn van een viltbol voorziene toverstaf een koperen schel tot zingen te brengen die hij op het vlak van een enorme raamtrommel had gelegd Het weefsel dat Erdem en Lotz daar met repetitief fingerpicking en -tapping op de basgitaar, respectievelijk grommende contrabasfluitklanken uit sponnen, werd door Ahiskali met venijnige tegenritmes fraai van reliëf voorzien. Na de pauze boette het ensemblespel enigszins in aan concentratie, maar dat werd gecompenseerd door solistische hoogstandjes. Purves nam daarbij wederom het voortouw met een virtuoos clownsnummer met klepperbotjes, maar Erdem deed qua vingervlugheid en muzikaliteit niet voor hem onder.
© Ton Maas, Volkskrant 2 februari 2008
Fred Hoekstra was enthousiast over de première van Maliblu, 18 november in Amersfoort. Lees hier zijn verslag.
Hieronder de recensie die op 23 november verscheen in De Volkskrant.
MALIBLU 18 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort. Nog te zien in Den Haag (28 nov.), Amsterdam (29 nov.) en Utrecht (1 dec.)
Even leek het te gaan om een paar Hollandse knapen die eens lekker loos willen gaan op Afrikaanse trommels. Pas toen na een langdradig drum-intro gitarist Anton Goudsmit aantrad, kreeg de zaak wat meer samenhang. Met de opkomst van zangeres Minyeshu Kifle Tedla als stralend middelpunt viel eindelijk alles op zijn plek. Maliblu, het nieuwste project van de Music: World Series, beoogt een brug te slaan tussen West en Oost-Afrika, gerepresenteerd door multi-instrumentalist Zoumana Diarra uit Mali en zangeres Minyeshu uit Ethiopië. Dankzij de vier Nederlandse muzikanten van Maliblu stroomt er bovendien wat Caribisch water onder deze brug. Hoewel drie man sterk is de ritmesectie de zwakste schakel in het geheel. Als er voluit mag worden gespeeld, wil het nog wel lukken, maar zodra een lied vraagt om ingetogen spel, raakt men geregeld het zicht op de groove kwijt. Een stuk van Minyeshu dat geïnspireerd is door de Sahara, kwam daardoor niet echt uit de verf. Pas bij hun bewerking van een traditioneel lied uit het oosten van Ethiopië vonden de muzikanten het juiste evenwicht tussen swing en subtiliteit. Toen werd er ook echt geschitterd. Ondanks Diarra's virtuositeit op de West-Afrikaanse kora - gedemonstreerd tijdens een klaterende solo die door de rest van het ensemble helaas eerder werd ondermijnd dan versterkt - was het telkens weer Goudsmit die verraste met zijn avontuurlijke gitaarspel, gebied ontginnend waar de meeste Afrikaanse muzikanten zich niet wagen. Maar dé sensatie van Maliblu is toch zangeres Tedla, die als een leeuwin met wapperende manen heerst over het podium. Onmiskenbaar een wereldster in wording.
Ton Maas, De Volkskrant 21-11-2007
ZHARBIA 10 oktober, Korzo, Den Haag.
Het gebeurt niet vaak dat een gelegenheidscombinatie al bij het allereerste optreden een onmiskenbaar eigen groepskarakter vertoont. Bij Zharbia, het nieuwste project van de 'Music: World Series' (MWS), was dat vrijwel vanaf de aanvang van het concert het geval. De link tussen Zuid-Spaanse en Marokkaanse muziek is natuurlijk wel vaker gelegd, al dan niet onder het bijna mythologische vaandel van 'Al-Andalus', maar werd zelden zo spannend vormgegeven als in de interactie tussen ûdspeler Karim Eharruyen en flamencozangeres Curra Suarez. Eharruyen maakte als instrumentalist aanzienlijk meer indruk dan enkele jaren geleden in het Global Village Orchestra. Zijn ûdspel is zowel ritmisch als melodisch een stuk verfijnder geworden en bovendien voegt hij met aan de gitaar ontleende fingerpicking-technieken interessante nieuwe klankmogelijkheden toe aan het palet van de Arabische luit. Het contrast tussen de sierlijk buitelende melodielijnen uit de ûd en de rauwe intensiteit van Suarez' diepe, indringende alt werd optimaal uitgebuit. De tweekoppige ritmesectie leunt voor wat de groove betreft sterk op het stuwende contrabasspel van MWS-mainstay Tjitze Vogel. Percussionist Joshua Samson overtuigt het meest in het aanbrengen van speelse versieringen of dramatische accenten. Toen hij minutenlang het lastige 'dronkemansritme' van de Marokkaanse gnawa-klepperaars moest aanhouden, liep hij soms net even te recht in de pas. De meest ongewone bijdragen aan het groepsgeluid waren afkomstig uit de viool van Jeffrey Bruinsma. Als een kameleon sloop deze door de gelederen, soms spitsvondig duellerend met de ûd, dan weer aanschurkend tegen de ritmesectie of harmonisch weerwerk biedend aan Suarez' vocale capriolen. Met gedurfde soli wist hij zowel het publiek als zijn medemuzikanten telkenmale te verrassen.
© Ton Maas
GNAOUA RAGA, 31 januari, Korzo Theater Den Haag
De muzikale kruisbestuivingen van de Music World Series zijn nooit gebaseerd op voorgekookte receptuur maar op een gedeelde passie voor de muziek, nieuwsgierigheid naar die van de ander(en) en avonturiersgeest bij het gezamenlijk verkennen van soms nog nauwelijks betreden grensstreken.
Woensdagavond ging in het Haagse Korzotheater een nieuw MWS-project van start met de Hindoestaanse zanger Raj Mohan, het trio Gnaoua Electrique en rietblazer/fluitist Philip de Goey. Er viel heel wat te genieten, maar er bleef ook iets wringen.
Zelfs als je Gnaoua Electrique-gitarist Derk Groen even buiten beschouwing laat, was de getalsverhouding tussen het Marokkaanse aandeel en het Indiase 2-1 in het nadeel van de raga. Dat hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar de expressiemiddelen van deze tradities sluiten nauwelijks op elkaar aan. De Indiase raga is ritmisch zeer complex en kent een groot aantal subtiel verschillende toonladders. Muzikanten besteden vele jaren aan het perfectioneren van ragfijne nuances. Bij de muziek van de gnaoua - nazaten van slaven die eeuwen geleden vanuit West-Afrika naar Marokko werden gehaald - is de uitvoering nooit een doel op zich en gericht op het teweegbrengen van trance. Dat betekent veel herhaling, zowel van relatief simpele ritmische patronen als van korte gezongen frasen en jachtig geplok op de basluit. Mohan had daardoor soms moeite om de subtiliteit van de raga te laten doorklinken, hoewel De Goey hem op hobo fraai ondersteunde.
Voor het publiek in de grote zaal van Korzo maakte dat alles niet uit. De stuwende gnaouaritmes werden enthousiast ontvangen en lokten zelfs een spontane derwisjdanser uit het publiek de vloer op.
©Ton Maas, De Volkskrant.
A FULA'S CALLING 7 december, Tropentheater Amsterdam.
Uit de recensie in de Financial Times van 2 januari 2007 : ''A Fula's Calling's signature was the visible care they all took of one another, as the vocals segued from Bhattarcharya to Ka and back again, and the delight they took in each other's performances: a palpable expression of friendship''. De complete recensie vind je hier.
A FULA'S CALLING 19 november, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.Het lijkt inmiddels traditie dat het slotconcert van het Global Village Festival
in Amersfoort tevens de aftrap is van een nieuw project in het kader van de
'Music: World Series' (MWS), waarbij jazzmusici samenwerken met muzikanten
uit andere culturen. De première van A Fula's Calling, zondagmiddag
in Theater De Lieve Vrouw, vormde het onbetwiste hoogtepunt in die reeks tot
dusver.
Qua bezetting hebben de projecten uit de MWS wel vaker een hoog rariteitenkabinetgehalte,
maar ook in dat opzicht spande A Fula's Calling de kroon. Behalve de Duitse
fluitist Mark Alban Lotz, de Frans-Duitse gitarist Raphaël Vanoli, de
Iraanse percussionist Afra Mussawisade, de Indiase tablaspeler Sandip Battacharya
en de Senegalese zanger Omar Ka was vanwege de 'Women Edition' van het festival
een speciale gast uitgenodigd: de Tibetaanse zangeres Namgyal Lhamo.
Voor haar was deelname aan het project een grotere stap dan voor de andere
musici, omdat ze zich nooit eerder zo nadrukkelijk aan muzikale grensoverschrijdingen
had gewaagd. Een drietal liederen uit haar repertoire van Tibetaanse opera
en volksmuziek werd op smaakvolle en toch avontuurlijke wijze voorzien van
exogene klankkleuren, hetgeen de toegankelijkheid van de muziek aanzienlijk
verhoogde.
Ondanks de enorme geografische afstand tussen hun beider tradities kleefde
er aan de vocale duetten Lhamo met Omar Ka niets gekunstelds. Bovendien bleek
de Tibetaanse bepaald niet wars van een beetje swing. Toen de band een liefdeslied
van haar op pittige wijze onder handen nam, stond ze heupwiegend en 'finger
snapping' achter haar microfoon te glunderen.
In contrast met de omvang van zijn indrukwekkende arsenaal fluitachtigen,
waaronder de Indiase bansuri en een enorme contrabasfluit van pvc-afvoerpijp,
stelde voorman Lotz zich bescheiden en vooral dienend op, hoewel hij af en
toe even spetterde met acrobatische staaltjes van meertonigheid, door stem
en blaastechniek te combineren.
Hoewel Omar Ka als zanger minder veelzijdig is dan zijn landgenoot Mola Sylla
- die aan eerdere edities van de MWS deelnam - wist hij gaandeweg de voorstelling
steeds meer te overtuigen. Zijn typisch West-Afrikaanse gitaarspel, hoog en
twinkelend, mengde fraai met de traditionele Tibetaanse luit van Lhamo.
Toch was vooral één muzikant verantwoordelijk voor het amalgaam
dat de voorstelling zo bijzonder maakte: gitarist Vanoli. Gezeten op een krukje
pleegde hij met zijn elektrische gitaar plus effectpedalen telkens weer verrassende
melodische interventies en harmonische oplossingen. Steeds als je als luisteraar
verbaasd afvroeg waar déze wonderlijke klanken nu weer vandaan kwamen,
bleek hij de leverancier.
© Ton Maas
Global Village Festival Amersfoort, gehoord: 19 november
A FULA'S CALLING
Een zangduet van een Senegalees en een Tibetaanse, begeleid door een tablaspeler
uit India, een percussionist uit Iran en een gitarist uit Duitsland, dit alles
onder leiding van een bespeler van de contrabasfluit uit Zeist.
Kan dat? Ja, dat kan. En het klonk zelfs prachtig op het Global Village Festival,
dat afgelopen zondag werd afgesloten in De Lieve Vrouw te Amersfoort.
Fluitist Mark Alban Lotz bracht er het programma A Fula's Calling rond zanger
/ gitarist Omar Ka uit Senegal. De laatste mocht zijn versie van de Senegalese
blues spelen, maar de andere bandleden kregen ook de kans op de voorgrond
te treden.
In ieder stuk stond een andere muzikant centraal, met heel zijn of haar achtergrond
en traditie.
De samenwerkende wereldmuzikanten brachten zowel traditionele als nieuwe stukken
ten gehore, steevast teruggebracht tot handzame uitgangspunten voor de improvisaties.
Waarbij opviel dat degene die in het ene stuk de diva mocht uithangen, in
het volgende dienstbaar op de achtergrond bleef. Want opgeblazen ego's bestaan
niet in Lotz' formaties.
Jeroen de Valk, AD Amersfoort, 22 november 2006

Bron: De Volkskranr, 4 april 2006

Bron: NRC, 6 februari 2006

Bron: De Volkskrant, 22 november 2005

Bron: De Volkskrant, 24 september 2005
Bron: Utrecht Nieuwsblad, 4 december 2004
Bron: De Volkskrant, 8 juni 2004
Bron: NRC, 5 mei 2004
Bron: Trouw, 2 mei 2004
Bron: De Volkskrant, 5 mei 2004
Verbroedering op Global Village Festival
Utrechts Nieuwsblad, 17-12-2001
Amersfoort - De tabla is het hoogbegaafde kind van het slagwerkassortiment. Een klein, onaanzienlijk trommeltje met onverwachte mogelijkheden; dat demonstreerde de Utrechtse Indiër Sandip Bhattacharya met verve gedurende het tweede Global Village Festival, afgelopen weekend in Amersfoort. Bespeel het met de vingertoppen, de platte vingers of de vlakke hand, en je tovert een compleet universum aan klanken tevoorschijn.
Het trommeltje kan zelfs spreken, zo lijkt het; het zegt verwonderd 'hè? hè?', mompelt sceptisch 'ja? ja' en jammert klaaglijk 'au-au-au!', alvorens los te barsten in een heftig 'ra-ta-ta-ta-ta!!!', gelijk hagelstenen op een dakraam.
Bhattacharya trad op met 'Flying Tabla', een wonderlijk kwintet met twéé Nederlanders, twéé Indiërs en één Afrikaans georiënteerde Antilliaan waarin op verbluffende wijze alles in elkaar greep. Het resultaat was een demonstratie van grensoverschrijdende verbroedering waar zelfs de fanatiekste antiglobalisering-activist niets tegen kan hebben. Er werd probleemloos en vaak spannend samengespeeld met simpele, aan de jazz ontleende middelen: de vorm 'gezamenlijk thema - serie solo-improvisaties - weer het thema', het 'chase-chorus' (een vraag-en-antwoord spel) en het principe dat wie nìet soleert, de keuze heeft tussen begeleiden of aandachtig luisteren. Voor de hand liggend, het Ei van Columbus, maar zeer effectief.
Deze jazzy uiting van het multiculturele gedachtegoed is tot stand gekomen dankzij de pioniers van 'Music: World Series', een serie sessies en concerten in het Utrechtse SJU Jazzpodium die drie jaar terug van start ging. Inmiddels is 'Music: World Series' uitgegroeid tot een respectabel instituut waar vaste groepen uit voortkomen, dat tournees organiseert en dit weekend wederom - in samenwerking met Theater De Lieve Vrouw - een afvaardiging naar Amersfoort stuurde. Het theater voegde aan de serie concert en workshops enkele niet-Westerse films toe. Het resultaat waren drie dagen vol koortsachtige activiteit die het ganse theatertje deed vibreren; in deze kolommen kan dan ook slechts een globaal (jawel) overzicht worden gegeven. Terwijl boven in de filmzalen kinderen naar 'Kirikou en de heks' keken, legde Steven Kamperman een etage lager aan Amersfoortse amateur-muzikanten uit hoe je over exotische maatsoorten en toonladders kan improviseren, en concerteerde Franky Douglas' Bugarabu Band luidruchtig op de begane grond. Dit in Amsterdam gevestigde orkestje begon, overeenkomstig de hoofdstedelijke traditie, een half uur te laat maar kwam meteen ter zake. Terwijl de ritmesectie met gitarist Douglas (Curaçao) een hups ritme inzette, liet Sean Bergin (Zuid-Afrika) zijn saxofoon scheuren met een timbre dat strookte met zijn bouwvakkerpostuur, bracht cellist Ernst Reijseger (Naarden) een stroom van subsidiabel gepiep en geknars voort en brak basgitarist Leslie Joseph (wereldburger) alle snelheidsrecords.
Het festival beleefde zijn apotheose gedurende de twee concerten van het Global Village Orchestra, een gelegenheidsformatie met elf Music-World Series-veteranen uit bijna even zovele streken. De Alle Elf Goed van het SJU Jazzpodium dus. Onder leiding van Tjitze Vogel (Friesland) waren de stukken van gedegen, richtinggevende arrangementen voorzien die oeverloos geïmproviseer voorkwamen. Diep ontroerend was een innig zangduet van Behsat Üvez (Turkije) en Mola Sylla (Senegal) - vol heimwee naar hun geboortegronden, al lagen die duizenden kilometers uiteen - en een mineurig lied van violist Kamil Abbas over Uighur, een gedeelte van China met een oeroude, rijke traditie die officieel niet bestaat. Meer windstreken in één orkest werden niet eerder aangetroffen. Al kwam de band van Bhattacharya hier aardig in de buurt toen fluitist Rein Spoorman in een Oosters ritme kans zag 'Al die willen te Kaap'ren varen' te citeren. Dat is immers óók wereldmuziek.
Global Village Festival, gezien: 14, 15 en 16/12, Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort. Op 6/1 start daar een serie wereldjazz-concerten.
De Volkskrant
Global Village vindt collectieve ziel laat
de Volkskrant, Kunst, 17 december 2001
Ton Maas
MUZIEK, Global Village Orchestra. 15/12. Theater De Lieve Vrouw, Amersfoort.
Luister naar "Karavaan" in MP3 formaat of in RealAudio formaat.
De tevreden blik waarmee Tjitze Vogel al tijdens de eerste set, geleund over zijn contrabas, om zich heen keek naar 'zijn' jongens, was op dat moment nog niet echt gerechtvaardigd. Het was weliswaar een mooi idee - elf in Nederland levende muzikanten van uiteenlopende culturele achtergrond samenbrengen in één 'orkest' - maar het tweede en laatste optreden van het Global Village Orchestra (een project van Vogel en Henk Spies ) maakte duidelijk hoe lastig het is om multicultureel, improviserend én orkestraal met succes te combineren.
Een probleem bij het samenstellen van zo'n ensemble lijkt het vinden van gelijkwaardige grootheden. Natuurlijk is het aardig dat een Nederlands wereldmuziekorkest ook een Marokkaan bevat, maar Karim Eharryuen leverde met zijn ud (Arabische luit) een wel erg summiere bijdrage. Bovendien wist hij tijdens zijn schaarse solo's niet echt te overtuigen. Onterecht was de bescheiden rol van Kamil Abbas. Deze violist uit Oeigoer, een Turkstalige streek in China, heeft veel meer in z'n mars dan hij in Amersfoort mocht laten zien en horen. Bovendien werd hij regelmatig overstemd door de blazers, een probleem waaraan ook de geluidstechniek debet leek. Verder werd van de diensten van accordeonist en pianist Alexei Levin amper gebruik gemaakt.
Twee andere muzikanten maakten wél veel indruk: de Senegalees Mola Sylla, die zich in deze setting ontpopte als een behendig en trefzeker improviserend stemkunstenaar, en de Turkse zanger, saz-speler en percussionist Behsat Üvez. Na de pauze zette die de toon met zijn indringende vertolking van een weemoedig lied over heimwee. Bovendien wist hij met zijn contrastrijke vingerwerk op darabouka en tamboerijn soms het hele ensemble uit handen te spelen van zijn 'rivaal', de Libische slagwerker Roberto Haliffi.
De pauze markeerde een kentering. Niet dat er duidelijk beter werd gemusiceerd, maar het ensemble leek zijn collectieve ziel te hebben gevonden. De voorstelling bereikte haar hoogtepunt met Globalistics van rietblazer Steven Kamperman, die er zelf in schitterde als solist. Daarna mochten muzikanten én publiek zich nog even lekker uitleven bij de Hongaar Akos Laki, die zijn verweerde tenorsax liet schateren van plezier.
De Volkskrant
Het nut van langdurig oefenen
22 december 2001
Ton Maas
MUZIEK, Djesz Kabab, Sandip Battacharya en Mark Alban Lotz. 20/12, SJU Podium, Utrecht.
De Stichting Jazz Utrecht lijkt serieus te werken aan het verleggen van de eigen grenzen. Hun Music: World Series getuigt in elk geval van de juiste intenties. Donderdagavond werd een multiculturele jamsessie gehouden, met als lichtende voorbeelden fluitist Mark Alban Lotz en tablaspeler Sandip Battacharya, allebei muzikale grensgangers par excellence. Helaas maakte dit 'open podium' vooral duidelijk hoe moeilijk het is om muzikanten zónder gedeelde traditie zo met elkaar te laten improviseren dat er ook voor het publiek iets te beleven valt. Bij gebrek aan harmonisch houvast bleef het steken in schrale grooves en vrijstaande soli. Veel leuker dan de open sessie bleek het voorafje, een optreden van de elfkoppige amateurformatie Djesz Kakab, een groep die is opgekweekt in de SJU-kraamkamer. Natuurlijk valt er nog het nodige te winnen aan subtiliteit, raffinement en interactie, maar wat in amper anderhalf jaar uit de grond werd gestampt, is indrukwekkend. Veel is daarbij te danken aan de arrangementen van repetitor Steven Kamperman, die de groep sinds enige tijd onder zijn hoede heeft genomen. Door uit te gaan van de mogelijkheden en beperkingen van de acht blazers plus ritmesectie, gaf hij deze enthousiaste amateurs de kans om boven zichzelf uit te stijgen. Van veel lef getuigt ook de repertoirekeuze. Na zich eerst op de Balkan te hebben gestort, grasduint Djesz Kabab tegenwoordig in de schatkamer van de Arabische wereld en bracht in het SJU-café een 'Moorse Suite' ten gehore met Marokkaanse liefdesliedjes, bewerkingen van Oum Khalsoum-hits en zelfs een compositie van de Libanese ex-pat Rabih Abou-Khalil. Djesz Kabab eigende zich zijn stuk The Happy Sheik met verve toe door het hier en daar iets te vereenvoudigen. Onbedoeld werd in het SJU-café gedemonstreerd hoe je interculturele muzikale ontmoetingen meestal beter niét kunt aanpakken - onvoorbereid en vanuit de losse pols - en hoe wél: een gestructureerde aanpak plus veel en langdurig samen oefenen.
De Volkskrant
Gitarist Vaarzon Morel laat duizend snaren zingen
4 maart 2002
Ton Maas
MUZIEK, Eric Vaarzon Morel & 1001 Snaren. 2 maart, Sju-podium Utrecht
Dat je voor flamenco niet in de wieg gelegd hoeft te zijn, bewees Eric Vaarzon Morel al eerder. Als gitarist is hij misschien minder uitgelaten dan sommige Spaanse collega's, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vloeiende en lyrische spel met fraai gedoseerde dynamische contrasten. Bovendien heeft de afstand tussen zijn Amsterdamse wieg en de bakermat van de flamenco hem een zekere distantie verschaft waardoor hij zich vrijer tot de traditie verhoudt. Met zijn nieuwe project 1001 Snaren gaat Vaarzon Morel nog een stap verder. Bonter kon het gezelschap waarmee hij zaterdagavond aantrad op het Utrechtse Sju-podium, nauwelijks zijn. De combinatie van flamenco met de muziek van de griots uit het stroomgebied van de Gambia in West-Afrika, met jazz als smeermiddel, werd al eerder met succes gerealiseerd in het zogenoemde Songhai-project. Vaarzon Morel voegde daaraan cymbaalvirtuoos Marius Preda uit Roemenië toe. Nadat de instrumentalisten zich hadden gepresenteerd met een soort estafette van korte soli, vertilde het gelegenheidsensemble zich al meteen aan het titelstuk van Vaarzon Morels nieuwe cd Sol y Sombra. Het samenspel was te weinig afwisselend en smeekte om de hand van een vaardig arrangeur. Bovendien zaten al die snaren elkaar danig in de weg. De gitaren van Vaarzon Morel en jazzgitarist Jan Kuiper verdronken samen met de kora van Karamo Kuyateh uit Gambia in de galmende klankgolven uit het cymbaal van Preda. Achteraf bezien was die zwakke start een geschenk, want mede daardoor kon zich voor de ogen van het publiek een klein wonder voltrekken. Dankzij gedegen vakmanschap, veel ervaring met muzikale grensverkenning en een ontwapenende openheid voor elkaars bijdragen wisten de vijf muzikanten - voor wie deze ontmoeting in enkele gevallen de allereerste was - hun gezamenlijke optreden tot een doorslaand succes te maken. Na de pauze waren ook de laatste hindernisjes uit de weg geruimd en konden enkele spontane kreten van slagwerker Mousse Pathe M'baye uit Senegal uitmonden in een speels en avontuurlijk duel met gitarist Kuiper. Daarna steeg de groep tot grote hoogte, waarbij de rollen voortdurend werden omgedraaid: ontregelende jazz-akkoorden uit het cymbaal, flamencobreaks uit de kora en Afrikaans getwinkel uit de gitaren.



